Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2475

Raad van State

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
202403099/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
  • M. den Heyer
  • M.J.M. Ristra-Peeters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 10 KwalificatierichtlijnArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering sociale groep

Appellant, een Somalische vrouw uit Marka, vroeg een verblijfsvergunning asiel aan die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 17 januari 2024 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond op 15 mei 2024. Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Appellant stelde dat zij als zelfstandige vrouw in Somalië problemen had met Al-Shabaab vanwege haar kledingkeuze, neuspiercing en haar weigering zich te conformeren aan strenge islamitische voorschriften, en dat zij daarom behoort tot een sociale groep in de zin van artikel 10 van Pro de Kwalificatierichtlijn. De minister stelde dat appellant niet daadwerkelijk de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen onderschrijft en dat haar problemen met Al-Shabaab niet geloofwaardig waren.

De Afdeling oordeelde dat de minister ondeugdelijk had gemotiveerd waarom appellant niet behoort tot een sociale groep die vervolging vreest. De minister had onvoldoende ingegaan op de verklaringen van appellant over haar levenskeuzes en problemen met Al-Shabaab. Het arrest van het Hof van Justitie (K en L) werd toegepast, waarin is bepaald dat vrouwen die zich identificeren met de fundamentele waarde van gelijkheid tot een sociale groep kunnen behoren.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het besluit van 17 januari 2024 en de uitspraak van de rechtbank, en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering dat appellant niet behoort tot een sociale groep die vervolging vreest.

Uitspraak

202403099/1/V2.
Datum uitspraak: 30 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 15 mei 2024 in zaak nr. NL23.38739 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 17 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 15 mei 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. Z.M. Alaca, advocaat in Breda, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling schriftelijke reacties gegeven. Appellant heeft daarop gereageerd.
Overwegingen
1.       Appellant is een Somalische vrouw uit de stad Marka. Ze klaagt in haar eerste grief over het oordeel van de rechtbank dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij behoort tot een sociale groep waardoor zij te vrezen heeft voor vervolging. Ze betoogt dat zij als zelfstandige vrouw in Somalië problemen heeft gekregen met Al-Shabaab. Volgens appellant moet zij daarom worden aangemerkt als lid van een sociale groep in de zin van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Kwalificatierichtlijn.
1.1.    Hierover heeft zij het volgende verklaard. Appellant had in Somalië een eigen eethuis. Ze heeft naar eigen zeggen problemen gekregen met Al-Shabaab omdat ze daar sigaretten verkocht. Ook zou ze zweepslagen hebben gekregen, omdat ze met een andere eigenaar van een eethuis thuis heeft gepraat. Zij heeft verder problemen gekregen met Al-Shabaab omdat zij zich anders kleedde dan de daar geldende kledingvoorschriften. Zij moest kleding dragen die haar lichaam volledig bedekte. Ze is mishandeld op straat omdat ze een neuspiercing inhad en omdat ze meerdere gaatjes heeft in haar oorlellen. Ze heeft verder verklaard dat zij in vrijheid is opgegroeid en daarom zelf wil bepalen hoe zij zich kleedt. Zij heeft ook verklaard dat ze twee keer gehuwd en twee keer gescheiden is.
1.2.    De rechtbank heeft in de uitspraak van 15 mei 2024 geoordeeld dat vrouwen onder omstandigheden tot een bepaalde sociale groep kunnen horen, maar dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant onvoldoende heeft geconcretiseerd waarom zij behoort tot een sociale groep waardoor zij te vrezen heeft voor vervolging.
1.3.    De Afdeling heeft de minister bij brief van 9 mei 2025 verzocht om toe te lichten wat het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2024, K en L, ECLI:EU:C:2024:487, en het beleid van de minister in paragraaf C2/3.2.5.2.1 van de Vc 2000, betekenen voor het betoog van appellant. In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat vrouwen die zich daadwerkelijk vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen, kunnen behoren tot een bepaalde sociale groep overeenkomstig artikel 10, eerste lid en onder d, van de Kwalificatierichtlijn. Dit houdt volgens het Hof in dat een vrouw in haar dagelijks leven het voordeel van deze gelijkheid wil genieten, wat veronderstelt dat zij vrij haar eigen levenskeuzes kan maken; onder meer op het vlak van onderwijs en beroepsloopbaan, de mate en aard van activiteiten in de publieke sfeer, de mogelijkheid om economisch onafhankelijk te worden door buitenshuis te werken, de beslissing om alleen of in gezinsverband te wonen en de partnerkeuze, welke keuzen bepalend zijn voor haar identiteit.
1.4.    De minister heeft zich in zijn reactie van 28 mei 2025 op het standpunt gesteld dat bij appellant geen sprake is van daadwerkelijke vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Dat appellant zich niet wil houden aan de strenge kledingvoorschriften van Al-Shabaab, betekent volgens de minister niet dat sprake is van deze vereenzelviging. Daarvoor is volgens de minister van belang dat haar problemen met Al-Shabaab niet geloofwaardig zijn geacht en dat de streng islamitische regels in Somalië ook gelden voor mannen. Ook is volgens de minister gebleken dat appellant kan functioneren in de Somalische maatschappij en dat zij bij terugkeer niet langs of door gebied van Al-Shabaab hoeft.
1.5.    Naar oordeel van de Afdeling heeft de minister met deze reactie ondeugdelijk gemotiveerd dat appellant niet behoort tot een sociale groep in de zin van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Kwalificatierichtlijn. Zoals weergegeven onder 1.3, houdt vereenzelviging volgens het Hof in dat een vrouw in haar dagelijks leven het voordeel van de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen wil genieten, wat veronderstelt dat zij haar eigen levenskeuzes kan maken, die bepalend zijn voor haar identiteit. De minister licht in zijn reactie niet toe waarom hieronder niet kan vallen dat appellant zich niet wil houden aan de strenge kledingvoorschriften van Al-Shabaab. Bovendien heeft appellant niet alleen over de strenge kledingvoorschriften verklaard. Zoals onder 1.1 is weergegeven heeft zij ook verklaard over haar eigen winkel, haar partnerkeuze en dat ze het belangrijk vindt om haar eigen levenskeuzes te kunnen maken. De minister heeft deze verklaringen niet in zijn reactie betrokken.
1.6.    De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de streng islamitische regels in Somalië ook gelden voor mannen, dat is gebleken dat appellant kan functioneren in de Somalische maatschappij en dat zij bij terugkeer niet langs of door gebied van Al-Shabaab hoeft. Deze standpunten gaan naar oordeel van de Afdeling niet over de vraag of appellant zich persoonlijk heeft vereenzelvigd met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Hiermee heeft de minister immers niet toegelicht in hoeverre uit de verklaringen van appellant blijkt of zij in haar dagelijks leven het voordeel van de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen wil genieten.
1.7.    Met het standpunt dat de problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig zijn geacht, heeft de minister ook ondeugdelijk gemotiveerd dat bij appellant geen sprake is van daadwerkelijke vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. De minister heeft de problemen van appellant met Al-Shabaab in algemene zin ongeloofwaardig geacht. Appellant heeft echter verklaard over verschillende incidenten en niet van elk incident heeft de minister duidelijk gemaakt of en waarom deze incidenten ongeloofwaardig zijn geacht. Dat geldt met name voor de verklaringen van appellant dat ze problemen heeft gekregen met Al-Shabaab vanwege haar kledingkeuze, neuspiercing en gaatjes in haar oor.
1.8.    Hoewel de rechtbank geen rekening heeft kunnen houden met het arrest K en L, heeft zij achteraf bezien ten onrechte overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij behoort tot een specifieke sociale groep waardoor zij te vrezen heeft voor vervolging in Somalië. De minister is in hoger beroep in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over wat het arrest K en L betekent voor appellant, maar heeft gelet op het voorgaande ondeugdelijk gemotiveerd dat bij appellant geen sprake is van daadwerkelijke vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen.
1.9.    De eerste grief slaagt.
1.10.  Uit het voorgaande volgt dat de vraag of appellant behoort tot een bepaalde sociale groep overeenkomstig artikel 10, eerste lid en onder d, van de Kwalificatierichtlijn, kan worden beantwoord aan de hand van het arrest K en L. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig wat appellant verder heeft aangevoerd te bespreken. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 17 januari 2024. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 15 mei 2024 in zaak nr. NL23.38739;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.     vernietigt het besluit van 17 januari 2024, V-[...];
V.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. M. den Heyer en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Huizer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026
987