ECLI:NL:RVS:2026:2475
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- M. den Heyer
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering sociale groep
Appellant, een Somalische vrouw uit Marka, vroeg een verblijfsvergunning asiel aan die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 17 januari 2024 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond op 15 mei 2024. Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Appellant stelde dat zij als zelfstandige vrouw in Somalië problemen had met Al-Shabaab vanwege haar kledingkeuze, neuspiercing en haar weigering zich te conformeren aan strenge islamitische voorschriften, en dat zij daarom behoort tot een sociale groep in de zin van artikel 10 van Pro de Kwalificatierichtlijn. De minister stelde dat appellant niet daadwerkelijk de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen onderschrijft en dat haar problemen met Al-Shabaab niet geloofwaardig waren.
De Afdeling oordeelde dat de minister ondeugdelijk had gemotiveerd waarom appellant niet behoort tot een sociale groep die vervolging vreest. De minister had onvoldoende ingegaan op de verklaringen van appellant over haar levenskeuzes en problemen met Al-Shabaab. Het arrest van het Hof van Justitie (K en L) werd toegepast, waarin is bepaald dat vrouwen die zich identificeren met de fundamentele waarde van gelijkheid tot een sociale groep kunnen behoren.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het besluit van 17 januari 2024 en de uitspraak van de rechtbank, en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering dat appellant niet behoort tot een sociale groep die vervolging vreest.