ECLI:NL:RVS:2026:2460

Raad van State

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
BRS.26.001692
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J. Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vw 2000Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering verblijfsdocument EU/EER

Verzoeker heeft op 10 juni 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar, dat op 6 maart 2025 ongegrond werd verklaard door de minister. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 10 maart 2026 het beroep ongegrond verklaarde.

Verzoeker stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen sprake was van een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening en wees het verzoek af.

De minister is niet verplicht tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter J. Th. Drop op 1 mei 2026 in aanwezigheid van griffier N.S. Koelman.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

BRS.26.001692
Datum uitspraak: 1 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 10 maart 2026 in zaak nr. NL25.11881 in het geding tussen:
verzoeker
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 10 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen.
Bij besluit van 6 maart 2025 heeft de minister het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker, vertegenwoordigd door mr. S. Raissi, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.        Uit het verzoek blijkt niet van een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2.        Het verzoek wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J. Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Koelman, griffier.
w.g. Drop
voorzieningenrechter
w.g. Koelman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026
1021