Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2427

Raad van State

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
202405028/1/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 3.9 WaboArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 19.2.4 bestemmingsplan Paauwenburg - Groot LammerenburgArt. 1 bestemmingsplan Paauwenburg - Groot Lammerenburg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning voor schutting in strijd met bestemmingsplan bevestigd

Het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen weigerde op 3 december 2020 een omgevingsvergunning voor een schutting die hoger is dan één meter en voor de voorgevel van het hoofdgebouw staat, omdat dit in strijd is met het bestemmingsplan "Paauwenburg - Groot Lammerenburg". De schutting tast het straat- en bebouwingsbeeld aan en het college wilde precedentwerking voorkomen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond.

Appellant stelde in hoger beroep dat het college het gelijkheidsbeginsel had geschonden omdat elders in de wijk schuttingen hoger dan één meter voor de voorgevel waren toegestaan. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de vergunning voor een vergelijkbare schutting elders een fout was en dat het gelijkheidsbeginsel niet vereist dat een gemaakte fout wordt herhaald. Daarnaast waren de andere situaties niet in relevant opzicht gelijk aan die van appellant, onder meer vanwege verschillen in de oriëntatie van de voorgevels en ligging van de schuttingen.

De Afdeling concludeerde dat het college de vergunning terecht heeft geweigerd en bevestigde het vonnis van de rechtbank. Er worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de omgevingsvergunning voor de schutting omdat deze in strijd is met het bestemmingsplan en het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden.

Uitspraak

202405028/1/R1.
Datum uitspraak: 29 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Vlissingen,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West­-Brabant van 27 juni 2024 in zaak nr. 23/156 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen.
Procesverloop
Bij besluit van 3 december 2020 heeft het college geweigerd om aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor een schutting op het perceel aan [locatie 1] in Vlissingen (het perceel).
Bij besluit van 2 december 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar nogmaals ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 juni 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 maart 2026, waar [appellant] en [partij], bijgestaan door mr. W.R. Aerts, advocaat in Vlissingen, en het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen, vertegenwoordigd door mr. S. Benhaddou, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 2 november 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2.       Het college heeft bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 3 december 2020 geweigerd aan [appellant] een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo te verlenen voor een schutting bij zijn woning op het perceel. Vast staat dat de schutting in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Paauwenburg - Groot Lammerenburg" (bestemmingsplan). Het perceel is daarin bestemd tot "Wonen". Op grond van artikel 19.2.4, aanhef en onder b, van de planregels mag de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevel van het hoofdgebouw ten hoogste één meter zijn. De schutting op het perceel ligt voor de voorgevel en is meer dan één meter hoog.
Het college is niet bereid medewerking te verlenen aan afwijking van het bestemmingsplan. De schutting tast volgens het college het straat- en bebouwingsbeeld aan. Schuttingen aan de voorzijde van een perceel zijn vanuit het openbaar toegankelijk gebied zichtbaar. Voor deze bouwwerken gelden dan ook strengere regels dan voor schuttingen aan de achterzijde van een perceel. Ook leidt het verlenen van de omgevingsvergunning volgens het college tot een ongewenste precedentwerking.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het verlenen van de omgevingsvergunning in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Relevante wettelijke bepalingen
3.       De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Heeft het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel de vergunning geweigerd?
4.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door de aangevraagde omgevingsvergunning te weigeren. Hij wijst erop dat er een omgevingsvergunning is gegeven door het college voor een schutting van meer dan één meter hoogte voor de voorgevel op het perceel [locatie 2]. Ook bevinden zich volgens hem ook bij een aantal andere woningen aan Giessenburg, met name de woningen aan [locatie 3] en [locatie 4], voor de voorgevel schuttingen hoger dan één meter. Het college had daarom volgens [appellant] de aangevraagde omgevingsvergunning niet mogen weigeren.
4.1.    De Afdeling begrijpt het betoog zo dat [appellant] naar voren brengt dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn beroepsgrond over het gelijkheidsbeginsel. Deze grond is terecht naar voren gebracht, maar leidt niet tot het daarmee beoogde doel. Dit licht de Afdeling hieronder toe.
4.2.    Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat een bestuursorgaan gelijke gevallen gelijk behandelt. Alleen gevallen die in relevant opzicht gelijk zijn aan de aangevraagde situatie kunnen leiden tot een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel.
4.3.    Wat betreft de schutting op het perceel [locatie 2] heeft het college op de zitting bevestigd dat er inderdaad een omgevingsvergunning is voor de schutting die hoger dan één meter is en voor de voorgevel van de woning staat. Deze omgevingsvergunning is echter van rechtswege gegeven. Daaraan ligt geen ruimtelijke afweging van het college ten grondslag. Het college beschouwt deze omgevingsvergunning als een fout. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling strekt het gelijkheidsbeginsel echter niet zo ver dat het college is gehouden om een gemaakte fout te herhalen (zie de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:320, onder 5). Wat [appellant] in zoverre heeft aangevoerd, kan hem daarom niet baten.
4.4.    Wat betreft de schuttingen aan de Giessenburg geldt het volgende. Op grond van artikel 19.2.4, aanhef en onder b, van de planregels mag de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevel van het hoofdgebouw ten hoogste één meter zijn. De Afdeling constateert dat op de verbeelding geen voorgevelrooilijnen zijn aangegeven. Aan de hand van de definitiebepaling van voorgevel moet worden bepaald welke gevel van een hoofdgebouw als voorgevel geldt.
Op grond van artikel 1 van Pro de planregels is de voorgevel de naar de weg of naar het openbaar gebied gekeerde gevel van een gebouw. Indien een gebouw meer dan één naar de weg of het openbaar gebied gekeerde gevel heeft, is de voorgevel de gevel die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op de uitstraling ervan als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.
4.5.    De Afdeling overweegt dat de Giessenburg in een zogeheten ‘bloemkoolwijk’ ligt. De Giessenburg is een kronkelende weg die door de wijk loopt en aanliggende wegen ontsluit. Door dit kronkelende karakter van de weg hebben de percelen aan de Giessenburg verschillende liggingen aan de Giessenburg. De gebouwen gelegen op deze percelen zijn daarmee eveneens op verschillende wijzen naar de weg of het openbaar gebied gekeerd. De woning van [appellant] is, in tegenstelling tot de door hem genoemde gevallen, slechts met de zuidgevel naar de Giessenburg gekeerd. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door hem genoemde gevallen in relevant opzicht gelijk zijn aan zijn situatie.
Weliswaar heeft de woning aan de [locatie 3] ook een tuin op het zuiden, maar deze woning is met de noordgevel gekeerd naar de Giessenburg, terwijl de woning van [appellant] met de zuidgevel naar die weg is gekeerd. In wat hij heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat de noordgevel van de woning [locatie 3] als voorgevel moet worden aangemerkt. De schutting ligt in dat geval achter de voorgevel.
Het perceel [locatie 4] grenst aan verschillende kanten aan de Giessenburg. Het college heeft de noordoostgevel waarin de voordeur zich bevindt, aangemerkt als voorgevel. De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Als de lijn van de voorgevel denkbeeldig wordt doorgetrokken, bevindt de schutting die ten zuidoosten van de woning staat zich achter die lijn. Ook de schutting die ten zuidwesten van de woning staat bevindt zich achter die lijn. De schuttingen hoger dan één meter bevinden zich dus niet voor de voorgevel.
Verder heeft het college zich in de schriftelijke uiteenzetting op het standpunt gesteld dat ook de situaties op de percelen Giessenburg [locatie 5], [locatie 6], [locatie 7] en [locatie 8] verschillen van de aan de orde zijnde situatie, omdat de schuttingen hoger dan één meter op die percelen zich niet voor de voorgevel, maar achter de voorgevel bevinden. [appellant] heeft dit niet gemotiveerd bestreden en niet aannemelijk gemaakt dat deze door het college genoemde gevallen in relevant opzicht gelijk zijn aan zijn situatie.
4.6.    Gelet op wat hiervoor staat, slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet.
4.7.    De rechtbank is terecht tot de conclusie gekomen dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen weigeren.
Conclusie
5.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Proceskosten
6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Heusden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026
163-1188
BIJLAGE
Bestemmingsplan "Paauwenburg - Groot Lammerenburg"
Artikel 1 Begrippen Pro
[…];
voorgevel
de naar de weg of naar het openbaar gebied gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft van meer dan één naar de weg of het openbaar gebied gekeerde gevel, de gevel, die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op de uitstraling ervan als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.
voorgevelrooilijn
een op de verbeelding aangegeven lijn, waarin de voorgevel van een gebouw is of moet worden gebouwd.
[…].
Artikel 19.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
[…];
b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste:
1. 1 meter, vòòr de voorgevel van het hoofdgebouw;
2. 2 meter, achter voorgevel van het hoofdgebouw.