Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2404

Raad van State

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
202502908/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3 lid 2 aanhef en onder h Bijlage 1 Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024Art. 2.5 Bijlage 1 Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024Art. 14 lid 4 Huisvestingswet 2014Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens onvoldoende maatschappelijke binding

Appellante, woonachtig in Dordrecht met haar minderjarige kinderen, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht om een urgentieverklaring vanwege medische redenen en de zorg voor haar oudste zoon die in Barendrecht naar school gaat en zorg ontvangt. Het college wees de aanvraag af omdat appellante niet economisch of maatschappelijk gebonden is aan de woningmarktregio Barendrecht, zoals vereist volgens de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de beschikking voor individueel leerlingenvervoer een oplossing biedt en dat appellante onvoldoende recente medische stukken had overgelegd om de hardheidsclausule te doen toepassen. Appellante stelde in hoger beroep geen nieuwe feiten of argumenten aan, waardoor de Afdeling bestuursrechtspraak het oordeel van de rechtbank onderschreef.

De Afdeling concludeert dat de afwijzing van de urgentieverklaring terecht is en dat er geen sprake is van een schrijnende situatie die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.

Uitspraak

202502908/1/A2.
Datum uitspraak: 29 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 mei 2025 in zaak nr. 24/8687 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht.
Procesverloop
Bij besluit van 30 mei 2024 heeft het college een aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen.
Bij besluit van 7 augustus 2024 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 april 2026, waar het college, vertegenwoordigd door P.F.M. Jansen, is verschenen. [appellante], vertegenwoordigd door mr. M. Gümüs, advocaat in Dordrecht, heeft via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellante] woont samen met haar beide minderjarige kinderen in een huurwoning in Dordrecht. Zij heeft bij het college een aanvraag om een urgentieverklaring om medische redenen ingediend. Zij stelt dat haar woning ongeschikt is, omdat haar oudste zoon, aan wie zij mantelzorg geeft, afhankelijk is van zorg uit Barendrecht en daar ook naar school gaat. Gezien haar gezondheidsproblemen heeft zij moeite met het halen en brengen van haar zoon.
Besluitvorming
2.       In het besluit van 7 augustus 2024 heeft het college de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd onder verwijzing naar artikel 2.3, tweede lid, aanhef en onder h, van Bijlage 1 bij de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 (de Verordening). Volgens die bepaling kan het college de urgentieverklaring weigeren, indien de aanvrager niet economisch of maatschappelijk is gebonden aan de woningmarktregio, de gemeente of een deel van de gemeente als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Huisvestingswet 2014. [appellante] woont al geruime tijd in Dordrecht en heeft niet in Barendrecht gewoond. Voor het aannemen van de vereiste maatschappelijke binding is niet voldoende dat haar zoon in Barendrecht naar school gaat en daar (deeltijd)behandelingen krijgt.
3.       Het college heeft geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan de hardheidsclausule van artikel 2.5 van Bijlage 1 van de Verordening. Weigering van de urgentieverklaring leidt in dit geval niet tot een schrijnende situatie. Verder is niet gebleken van onvoorziene bijzondere omstandigheden. Daarbij is betrokken dat [appellante] beschikt over een zelfstandige woonruimte en dat zich geen levensbedreigende of daarmee vergelijkbare situatie voordoet.
Uitspraak van de rechtbank
4.       Volgens de rechtbank heeft het college de aanvraag terecht afgewezen. Aan dat oordeel heeft zij onder meer de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.
4.1.    [appellante] heeft ten behoeve van haar oudste zoon een beschikking gekregen voor individueel leerlingenvervoer. Deze beschikking kan haar probleem oplossen. [appellante] kan de aanspraak op het vervoer, waartoe deze beschikking strekt, niet in deze procedure afdwingen. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 2.3, tweede lid, aanhef en onder h, van Bijlage 1 van de Verordening in dit geval van toepassing is.
4.2.    Voor zover [appellante] vindt dat het college ten onrechte geen medisch adviseur heeft ingeschakeld voor de beoordeling van de hardheidsclausule, gaat zij eraan voorbij dat het op haar weg ligt om de benodigde recente (medische) stukken over te leggen om aannemelijk te maken dat haar situatie schijnend is. [appellante] is daarin niet geslaagd. Zij heeft niet onderbouwd dat haar woning in ernstige mate duurzaam ongeschikt is voor bewoning waardoor zij op korte termijn zou moeten verhuizen. Dat haar zoon in Barendrecht op school zit, terwijl zij in Dordrecht woont, heeft niet tot toepassing van de hardheidsclausule hoeven leiden. [appellante] kan de gemeente Dordrecht benaderen om aldus te bereiken dat de aanspraak op individuele vervoersvoorzieningen op grond van de Jeugdwet wordt gerealiseerd.
Beoordeling van het hoger beroep
5.       De gronden die [appellante] in hoger beroep aanvoert, zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 5.1, 6.1 en 6.2 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij stelt vast dat [appellante] ook in hoger beroep slechts stellingen heeft ingenomen, terwijl zij, gelet op de aangevallen uitspraak en zoals ter zitting ook besproken, had kunnen weten dat deze stellingen op zichzelf, zonder de door de rechtbank bedoelde onderbouwing met recente (medische) stukken, niet tot een andersluidend oordeel zouden leiden.
Conclusie
6.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026
452-1189