ECLI:NL:RVS:2026:2393
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting en weigering verblijfsvergunning asiel
Verzoekers hebben bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 8 april 2025 is afgewezen. Hiertegen hebben zij beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 30 maart 2026 de beroepen ongegrond verklaarde. Verzoekers zijn vervolgens in hoger beroep gegaan en hebben tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De voorzieningenrechter heeft op 28 april 2026 besloten om de voorlopige voorziening toe te wijzen. Dit betekent dat verzoekers niet worden uitgezet voordat het hoger beroep is beslist. Tevens is bepaald dat verzoekers niet naar een vrijheidsbeperkende locatie worden overgeplaatst in het kader van hun uitzetting. Daarnaast is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoekers, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Deze beslissing is genomen op basis van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht en sluit aan bij eerdere jurisprudentie van de Raad van State. De voorzieningenrechter heeft hiermee een voorlopige bescherming geboden aan verzoekers gedurende de procedure van het hoger beroep.
Uitkomst: Verzoekers worden niet uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.