Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2393

Raad van State

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
BRS.26.002074
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting en weigering verblijfsvergunning asiel

Verzoekers hebben bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 8 april 2025 is afgewezen. Hiertegen hebben zij beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 30 maart 2026 de beroepen ongegrond verklaarde. Verzoekers zijn vervolgens in hoger beroep gegaan en hebben tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De voorzieningenrechter heeft op 28 april 2026 besloten om de voorlopige voorziening toe te wijzen. Dit betekent dat verzoekers niet worden uitgezet voordat het hoger beroep is beslist. Tevens is bepaald dat verzoekers niet naar een vrijheidsbeperkende locatie worden overgeplaatst in het kader van hun uitzetting. Daarnaast is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoekers, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Deze beslissing is genomen op basis van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht en sluit aan bij eerdere jurisprudentie van de Raad van State. De voorzieningenrechter heeft hiermee een voorlopige bescherming geboden aan verzoekers gedurende de procedure van het hoger beroep.

Uitkomst: Verzoekers worden niet uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

BRS.26.002074
Datum uitspraak: 28 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker A] en [verzoeker B], mede voor hun minderjarige kind,
verzoekers,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 30 maart 2026 in zaken nrs. NL25.20636 & NL25.20637 in het geding tussen:
verzoekers
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 8 april 2025 heeft de minister aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 30 maart 2026 heeft de rechtbank de daartegen door verzoekers ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben verzoekers hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.        Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat zij niet worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat zij opvang en verstrekkingen krijgen.
2.        Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457). Die houdt ook in dat verzoekers naar de huidige omstandigheden niet naar de vrijheidsbeperkende locatie worden overgeplaatst met het oog op hun uitzetting.
3.        De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoekers niet worden uitgezet, totdat op het door hen ingestelde hoger beroep is beslist;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.
w.g. Verburg
voorzieningenrechter
w.g. Hanrath
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026
392