Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2392

Raad van State

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
BRS.24.000359
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000Art. 24, vierde lid, Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen onjuiste wettelijke grondslag bewaring vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie stelde betrokkene op 30 augustus 2024 in bewaring. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, oordeelde dat de bewaring op een onjuiste wettelijke grondslag berustte en beval opheffing van de bewaring met schadevergoeding.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank buiten haar bevoegdheid was getreden door de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit inhoudelijk te toetsen, terwijl dit niet tot haar bevoegdheid behoort. De Afdeling vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank.

De Afdeling beoordeelde vervolgens de overige beroepsgronden van betrokkene, waaronder de zorgvuldigheid van de voorbereiding van de bewaring, de voortvarendheid van de minister bij de uitzetting en de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit. Geen van deze gronden slaagde.

De Afdeling concludeerde dat de bewaring rechtmatig was opgelegd en dat het beroep van betrokkene ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene alsnog ongegrond verklaard.

Uitspraak

BRS.24.000359
Datum uitspraak: 30 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 8 oktober 2024 in zaak nr. NL24.37604 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 30 augustus 2024 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 8 oktober 2024 heeft de rechtbank het met een kennisgeving vanwege de minister daartegen aanhangig gemaakte beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.
Overwegingen
1.       De enige grief van de minister is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de bewaring op een onjuiste wettelijke grondslag berust (artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000). De minister betoogt terecht dat de rechtbank buiten de grenzen van het geding is getreden, door als bewaringsrechter de aan het terugkeerbesluit ten grondslag liggende toepassing van artikel 24, vierde lid, van de Dublinverordening, inhoudelijk te toetsen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 12 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4578, onder 3.1, volgt namelijk dat de rechter buiten de grenzen van het geding treedt als zij de rechtmatigheid van een ander besluit toetst of beoordeelt dan van het besluit waartegen beroep is ingesteld. De bewaringsrechter mag zich daarom ook niet uitlaten over de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit. De bewaringsrechter moet wel controleren of voorafgaand aan dan wel gelijktijdig met de maatregel van bewaring een terugkeerbesluit is genomen en of dat voldoet aan de specifieke vereisten die aan een terugkeerbesluit worden gesteld. Door te oordelen dat de minister geen terugkeerbesluit had mogen nemen, maar toepassing aan de Dublinverordening had moeten geven, is de rechtbank buiten haar bevoegdheid getreden. De grief slaagt.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig wat de minister verder heeft aangevoerd te bespreken. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
3.       Betrokkene betoogt dat de bewaring niet zorgvuldig is voorbereid, omdat de minister was begonnen met het afnemen van het gehoor voorafgaand aan de bewaring terwijl hij nog geen terugkeerbesluit had genomen. Het gehoor voorafgaand aan de bewaring is echter een voorbereidende handeling. Daarvoor is het niet vereist dat de minister al een terugkeerbesluit heeft genomen. Dat is anders als de minister een vreemdeling in bewaring wil stellen. De bewaring mag namelijk uitsluitend worden opgelegd als voorafgaand aan dan wel gelijktijdig met die bewaring een terugkeerbesluit is genomen. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 21 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP9280, onder 2.1.4. In het geval van betrokkene is de bewaring gelijktijdig opgelegd met het nemen van een terugkeerbesluit. Dat is in lijn met voornoemde uitspraak. De beroepsgrond slaagt niet.
4.       Betrokkene betoogt ook dat de minister niet voldoende voortvarend heeft gehandeld. De minister heeft op 30 augustus 2024 betrokkene in bewaring gesteld met het oog op uitzetting naar Algerije. In het Model M120 staan de gegevens over de voortgang van de uitzetting. De minister heeft op verzoek van de Afdeling ook nadere schriftelijke inlichtingen over die voortgang gegeven. Daaruit blijkt het volgende. Op 4 september 2024 heeft de minister met betrokkene een eerste vertrekgesprek gehouden. Die dag heeft de minister ook een lp-aanvraag voorbereid. Op 12 september 2024 heeft hij deze aanvraag verzonden naar de Algerijnse ambassade en op 2 oktober 2024 heeft hij over deze aanvraag gerappelleerd. Op 3 oktober 2024 heeft de minister met betrokkene een tweede vertrekgesprek gehouden. Er bestaat naar het oordeel van de Afdeling gelet op deze door de minister verrichte daadwerkelijke handelingen ter voorbereiding van de uitzetting, geen aanleiding voor de conclusie dat hij onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet.
5.       Betrokkene betoogt ook dat het terugkeerbesluit van 30 augustus 2024 onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat in dat besluit wordt verwezen naar een gehoor dat zou hebben plaatsgevonden op 30 augustus 2024, maar waarvan het verslag gedateerd is op 2 september 2024. Zoals de Afdeling onder 1 van deze uitspraak heeft overwogen, is de bewaringsrechter niet bevoegd om een oordeel te geven over de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit. Daar stond een afzonderlijke rechtsgang voor open. Die rechtsgang heeft betrokkene niet benut, waardoor het terugkeerbesluit in rechte vast is komen te staan. De beroepsgrond slaagt niet.
6.       In deze zaak zijn geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31). Omdat de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. De Afdeling wijst daarom het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 8 oktober 2024 in zaak nr. NL24.37604;
III.      verklaart het beroep ongegrond;
IV.     wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. van Trappen, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Van Trappen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026
985