Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2380

Raad van State

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
BRS.26.000914
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting en toekenning opvang en proceskosten

Verzoeker is door de minister van Asiel en Migratie opgedragen de Europese Unie binnen vier weken te verlaten, bij besluit van 7 februari 2024, vervangen door het besluit van 13 augustus 2025. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker tegen deze uitzettingsmaatregel ongegrond op 27 januari 2026. Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter overweegt dat het hoger beroep nader onderzoek vereist, waarvoor de voorlopige voorzieningprocedure niet geschikt is. Daarom wordt besloten om verzoeker te beschermen tegen uitzetting totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 30 april 2026. Hiermee wordt de rechtspositie van verzoeker tijdens de procedure gewaarborgd en wordt de minister financieel aansprakelijk gesteld voor de proceskosten.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

BRS.26.000914
Datum uitspraak: 30 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 27 januari 2026 in zaak nr. NL24.9095 in het geding tussen:
verzoeker
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 7 februari 2024, vervangen door het besluit van 13 augustus 2025, heeft de minister verzoeker opgedragen de Europese Unie binnen vier weken te verlaten.
Bij uitspraak van 27 januari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.        Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.        Het hoger beroep vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3.        De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Verburg
voorzieningenrechter
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026
846-1161