ECLI:NL:RVS:2026:2370
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
Appellant heeft bij besluit van 29 november 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen. Hiertegen stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 13 februari 2025 het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Tijdens de procedure heeft de minister de Afdeling geïnformeerd dat appellant met onbekende bestemming is vertrokken uit Nederland. Ondanks de mogelijkheid daartoe heeft de gemachtigde van appellant niet laten weten nog contact met haar te hebben. De Afdeling concludeert hieruit dat appellant geen bescherming meer zoekt in Nederland en daardoor geen belang heeft bij de beoordeling van het hoger beroep.
Op grond hiervan verklaart de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk. De minister is niet gehouden proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 30 april 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang omdat appellant Nederland met onbekende bestemming heeft verlaten.