202501255/1/V3.
Datum uitspraak: 30 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 4 februari 2025 in zaak nr. NL23.35808-E in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 18 oktober 2023 heeft de staatsecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij tussenuitspraak van 1 augustus 2024 heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om een aan dat besluit klevend gebrek te herstellen.
Bij besluit van 10 september 2024 heeft de minister het besluit van 18 oktober 2023 aangevuld.
Bij einduitspraak van 4 februari 2025 heeft de rechtbank het door appellant tegen het besluit van 18 oktober 2023, aangevuld bij besluit van 10 september 2024, ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.
Tegen de einduitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E.H. Bokhorst, advocaat in Veenendaal, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Appellant heeft daarop gereageerd.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellant heeft de Nigeriaanse nationaliteit. De minister acht het geloofwaardig dat zij het slachtoffer is geworden van een Nigeriaanse mensenhandelaar. Appellant is met behulp van de mensenhandelaar naar Europa gereisd. Daardoor is in de ogen van de mensenhandelaar een geldschuld van € 60.000 ontstaan. Appellant werd door de mensenhandelaar gedwongen om in de prostitutie te werken om deze schuld af te betalen. Voordat zij ontsnapte, heeft appellant € 40.000 daarvan afbetaald, zodat zij nog een restschuld heeft van € 20.000. Zij heeft onder andere aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij bij terugkeer naar Nigeria vreest voor ernstige schade door represailles van de mensenhandelaar.
1.1. Deze zaak beperkt zich tot dit asielmotief. Appellant heeft namelijk geen hoger beroep ingesteld tegen de tussenuitspraak van de rechtbank, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat haar beroepsgronden over haar andere asielmotieven niet slagen.
De achtergrond van deze uitspraak
2. In de uitspraak van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1996, heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister, bij de beoordeling van de asielaanvragen van vreemdelingen die het slachtoffer zijn van Nigeriaanse mensenhandelaren, een risicoanalyse moet maken als bedoeld in de 'Country Guidance: Nigeria’ van 2021 van het European Asylum Support Office, nu het European Union Agency for Asylum. 2.1. De Afdeling heeft de minister gevraagd schriftelijk uiteen te zetten wat die uitspraak betekent voor deze zaak. In zijn schriftelijke uiteenzetting heeft de minister erkend dat het besluit van 18 oktober 2023, aangevuld bij besluit van 10 september 2024, gebrekkig is gemotiveerd. De minister heeft in deze schriftelijke uiteenzetting echter ook een risicoanalyse gemaakt, die leidt tot de conclusie dat appellant bij terugkeer naar Nigeria geen reëel risico loopt op ernstige schade door represailles van mensenhandelaren. Volgens de minister is hiermee het motiveringsgebrek hersteld. Hij verzoekt de Afdeling daarom het besluit te vernietigen, maar de rechtsgevolgen daarvan in stand te laten. De Afdeling vat dit op als een verzoek om de uitspraak van de rechtbank te bevestigen, aangezien de rechtbank dit al heeft geoordeeld.
Het geschil in hoger beroep
3. Appellant komt in haar enige grief op tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister met het aanvullende besluit van 10 september 2024 deugdelijk heeft gemotiveerd dat zij bij terugkeer naar Nigeria geen reëel risico loopt op ernstige schade door represailles van mensenhandelaren.
3.1. Omdat de Afdeling pas na de einduitspraak van de rechtbank en de indiening van het hogerberoepschrift heeft geoordeeld dat de minister in een geval als dat van appellant een risicoanalyse moet verrichten, is het niet zinvol om weer te geven wat de rechtbank heeft overwogen en wat appellant daartegen aanvoert. De minister erkent immers dat het besluit gebrekkig is gemotiveerd. De vraag die voorligt, is of hij met zijn in hoger beroep overgelegde schriftelijke uiteenzetting het motiveringsgebrek heeft hersteld. Als dat zo is, blijft de beslissing van de rechtbank in stand.
De beoordeling
3.2. De Country Guidance en het bijbehorende richtsnoer geven praktische handvatten om een individuele zaak te analyseren. Het risicoprofiel voor slachtoffers van mensenhandel, waaronder gedwongen prostitutie, vermeldt de volgende risico-beïnvloedende factoren: het bedrag van de ‘schuld’ aan mensenhandelaren, het machtsniveau en de capaciteit van de mensenhandelaren, de kennis van de mensenhandelaren over de familie en de achtergrond van het slachtoffer, de leeftijd en gezinsstatus van het slachtoffer, de sociaaleconomische achtergrond en financiële middelen van het slachtoffer, het opleidingsniveau van het slachtoffer en de beschikbaarheid van een ondersteunend familiaal of ander netwerk of de betrokkenheid van de familie van het slachtoffer bij de mensenhandel.
3.3. In de schriftelijke uiteenzetting is de minister op deze factoren ingegaan. Anders dan appellant in haar reactie daarop betoogt, bevat de schriftelijke uiteenzetting daarmee een risicoanalyse als bedoeld in de Country Guidance. Maar de Afdeling is van oordeel dat de minister met de risicoanalyse het motiveringsgebrek in het besluit niet heeft hersteld, omdat deze gebrekkig is op de punten die zij hierna bespreekt.
De hoogte van de geldschuld
3.4. Met betrekking tot de hoogte van de geldschuld overweegt de Afdeling allereerst het volgende. De minister heeft in het besluit van 10 september 2024 het standpunt ingenomen dat het enkele bestaan van een geldschuld niet betekent dat er sprake is van een reëel risico op ernstige schade, omdat appellant deze schuld zou kunnen afbetalen. Anders dan de rechtbank, volgt de Afdeling dit standpunt niet. Van appellant kan namelijk niet worden verwacht een afbetalingsregeling te treffen met een mensenhandelaar om een buitenrechtelijke schuld te vereffenen die zij werd geacht af te betalen door gedwongen in de prostitutie te werken. De hoogte van de geldschuld is daarom alleen in zoverre relevant, dat de kans dat een mensenhandelaar op zoek gaat naar een vreemdeling om een schuld te verhalen, groter moet worden geacht naarmate de schuld hoger is.
3.5. De minister schat het risico dat appellant loopt als gevolg van het resterende bedrag relatief laag in. Hij wijst er daarbij ten eerste op dat in het algemeen ambtsbericht Nigeria van januari 2023 van het ministerie van Buitenlandse Zaken (AA 2023) en de toelichting daarop van 21 maart 2024, eveneens van het ministerie van Buitenlandse Zaken, staat dat het overgrote deel van de slachtoffers bij terugkeer grote schulden heeft, terwijl fysieke represailles in de verslagperiode maar af en toe voorkwamen. Uit het AA 2023 volgt echter ook dat fysieke represailles zelden nodig waren, omdat mentale en emotionele represailles over het algemeen erg effectief zijn. De Afdeling overweegt dat dit suggereert dat fysieke represailles voorkomen als mentale en emotionele represailles niet het door de mensenhandelaar gewenste resultaat hebben. Daargelaten dat ook mentale en emotionele represailles ernstige schade kunnen veroorzaken, bijvoorbeeld doordat een vreemdeling als gevolg daarvan weer slachtoffer wordt, leiden de door de minister aangehaalde passages daarom niet tot de conclusie dat het risico laag is. Ten tweede wijst de minister erop dat appellant al een substantieel deel van haar schuld heeft afbetaald, namelijk € 40.000. Maar de Afdeling ziet niet in dat de resterende geldschuld van € 20.000 leidt tot de conclusie dat het risico laag is. De minister heeft dat verder ook niet toegelicht. De Afdeling betrekt daarbij ook de door appellant aangehaalde passage in het AA 2023 dat mensenhandelaren tot het uiterste gaan om hun investering terug te krijgen wanneer het slachtoffer zelf heeft besloten te vluchten.
Sociaaleconomische achtergrond en financiële middelen, en de beschikbaarheid van een ondersteunend netwerk
3.6. De minister stelt zich op het standpunt dat appellant als 28-jarige alleenstaande vrouw kwetsbaar is, maar dat dat niet betekent dat ze geen netwerk heeft en in economische zin zonder meer niet zelfredzaam is. Hij schat het risico wat dit betreft relatief laag in.
3.7. Het standpunt van de minister dat appellant in Nigeria kan terugvallen op een netwerk is naar het oordeel van de Afdeling innerlijk tegenstrijdig. Enerzijds is het volgens de minister niet aannemelijk dat de familie van appellant wordt bedreigd, aangezien haar verklaring dat de mensenhandelaar haar vader als drukmiddel gebruikt onlogisch is, omdat zij nu juist mede voor haar vader is gevlucht. Anderzijds gaat de minister ervan uit dat appellant kan terugvallen op haar familie, omdat hij de problemen met haar vader niet geloofwaardig acht. Niet in geschil is verder dat de moeder en zussen van appellant zijn overleden. Dat appellant verder in Nigeria mensen kent die zij online heeft ontmoet, met wie zij de banden zou kunnen intensiveren, is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat zij een netwerk heeft om op terug te vallen.
3.8. Over haar werkervaring heeft appellant verklaard dat zij in Nigeria in een winkel heeft gewerkt, haren heeft gevlochten en spullen op haar hoofd heeft gedragen. Over het werk in de winkel heeft zij verklaard dat zij daarvoor niet betaald kreeg, maar dat ze in ruil daarvoor in de winkel mocht slapen. Over het haren vlechten heeft zij verklaard dat zij daarmee een paar keer geld heeft verdiend, namelijk 200 Nigeriaanse naira, omgerekend € 0,13. De minister onderkent dat appellant niet veel geld zal verdienen, maar beziet haar zelfredzaamheid in samenhang met het ondersteunend netwerk waarover zij zou beschikken. Mede gelet op wat de Afdeling onder 3.7 heeft overwogen, kon de minister niet tot de conclusie komen dat het risico voor appellant relatief laag is wat betreft haar netwerk en zelfredzaamheid.
De uitkomst van de risicoanalyse
3.9. Gelet op wat de Afdeling heeft overwogen onder 3.4 tot en met 3.8, heeft de minister met zijn risicoanalyse niet deugdelijk gemotiveerd waarom appellant bij terugkeer naar Nigeria geen reëel risico loopt op ernstige schade door represailles van mensenhandelaren.
3.10. Daarom slaagt de grief van appellant.
4. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
Conclusie
5. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank daarin heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 18 oktober 2023, aangevuld bij besluit van 10 september 2024, in stand blijven. Zij bevestigt de uitspraak voor het overige. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 4 februari 2025 in zaak nr. NL23.35808-E, voor zover de rechtbank daarin heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 18 oktober 2023, aangevuld bij besluit van 10 september 2024, in stand blijven;
III. bevestigt de uitspraak voor het overige;
IV. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.401,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Kraak
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026
1020