Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2279

Raad van State

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
202501252/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verzamelbesluit Toeslagen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering huurtoeslag wegens overschrijding vermogensgrens 2022

De Dienst Toeslagen heeft bij besluit van 10 januari 2024 de huurtoeslag van appellant over 2022 definitief vastgesteld op nihil vanwege een te hoog vermogen op de peildatum 1 januari 2022. Het betaalde voorschot van € 2.653,00 plus € 55,00 rente werd teruggevorderd. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze terugvordering, maar zowel de rechtbank Amsterdam als de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarden deze ongegrond.

De rechtbank oordeelde dat de vermogensgrens een harde grens is en dat de terugvordering niet onevenredig is, mede gelet op het Verzamelbesluit Toeslagen. De Afdeling onderschreef dit oordeel en wees het beroep af. Zij overwoog dat de door appellant aangevoerde omstandigheden onvoldoende waren om de terugvordering als onevenredig te beschouwen.

Verder benadrukte de Afdeling dat het niet doen van jaarlijkse aanvragen niet leidt tot onrechtmatigheid en dat uitlatingen van een hoorambtenaar over het opnemen van vermogen op voorschotbeschikkingen geen toezegging vormen. De Dienst Toeslagen is afhankelijk van signalen van de Belastingdienst voor vermogensgegevens en heeft het besluit tijdig genomen na ontvangst van deze gegevens.

Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de huurtoeslag bevestigd.

Uitspraak

202501252/1/A2.
Datum uitspraak: 22 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 februari 2025 in zaak nr. 24/3730 in het geding tussen:
[appellant]
en
Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 10 januari 2024 heeft de Dienst Toeslagen de huurtoeslag van [appellant] over het jaar 2022 definitief berekend, op € 0,00 vastgesteld en het betaalde voorschot inclusief rente van € 2.708,00 teruggevorderd.
Bij besluit van 23 mei 2024 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellant]  gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 31 maart 2026, waar [appellant] en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], zijn verschenen.
Overwegingen
1.       Bij besluit van 4 februari 2023 heeft [appellant] een voorschot huurtoeslag voor het jaar 2022 ontvangen van € 2.653,00. Op 6 december 2023 heeft de Dienst Toeslagen van de inspecteur van de Belastingdienst de inkomens- en vermogensgegevens vanuit de Basisregistratie Inkomen (BRI) verkregen. Het inkomen van [appellant] over het jaar 2022 is vastgesteld op € 16.312,00 en zijn vermogen op € 34.815,00. De Dienst Toeslagen heeft met het besluit van 10 januari 2024 de huurtoeslag voor het jaar 2022 op nihil gesteld, omdat het eigen vermogen van [appellant] op 1 januari 2022, de peildatum, te hoog was. Het terug te betalen bedrag bestaat uit het voorschot van € 2.653,00 met € 55,00 rente. Bij besluit van 24 mei 2024 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen terecht heeft vastgesteld dat [appellant] geen recht op huurtoeslag heeft voor het jaar 2022. Voor het recht op huurtoeslag geldt een harde vermogensgrens. Over de afweging van de betrokken belangen bij de terugvordering heeft de rechtbank onder meer overwogen dat volgens het Verzamelbesluit Toeslagen (geactualiseerd op 17 oktober 2024 met terugwerkende kracht tot 23 oktober 2019; Stcrt. 2024, 34466) geen sprake is van een bijzondere omstandigheid als de terugvordering het gevolg is van het overschrijden van een vermogensgrens. De door [appellant] aangevoerde omstandigheden maken niet dat de terugvordering onevenredig is.
3.       De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de in de onder 8.1 en 9 en onder 11 tot en met 17 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt hieraan nog toe dat [appellant], anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet ieder jaar opnieuw een aanvraag deed. Dat een hoorambtenaar van de Dienst Toeslagen ten aanzien van de terugvordering over een eerder jaar, 2021, heeft gezegd dat er ambtenaren van de dienst zijn die vinden dat het beter zou zijn om in het algemeen op voorschotbeschikkingen ook het vermogen van de belanghebbende op te nemen, betekent niet dat de terugvordering onevenredig is of onjuist is vastgesteld. Een uitlating in deze vorm is geen toezegging. Op de voorschotbeschikkingen is bovendien wel steeds vermeld dat [appellant] de gegevens waarmee het voorschot is berekend moet controleren. Vermogen is daarbij een relevant gegeven waarmee het voorschot wordt berekend. Verder voegt de Afdeling nog toe dat de Dienst Toeslagen bij de vaststelling van huurtoeslag afhankelijk is van een signaal van de inspecteur van de Belastingdienst, omdat het vermogen een gegeven is dat de hij van de inspecteur ontvangt. De Dienst Toeslagen heeft het besluit van 10 januari 2024 niet lang nadat hij dit vermogen van de inspecteur doorkreeg genomen.
4.       Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6.       De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.S. de Jong, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Jong
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026
1014