Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2255

Raad van State

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
202503013/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.7 WhtArt. 8:57 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag wegens ontbreken aanvraag ondanks betwiste onjuiste voorlichting

Appellant heeft zich gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om herbeoordeling van kinderopvangtoeslag met het oog op een forfaitaire compensatie van € 30.000,00 op grond van de Wet hersteloperatie Toeslagen (Wht).

De Dienst Toeslagen weigerde deze compensatie toe te kennen omdat appellant nooit een aanvraag voor kinderopvangtoeslag heeft ingediend. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat hij geen aanvrager was zoals vereist in artikel 2.7, eerste lid, Wht.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij onjuist was voorgelicht door een medewerker van de Dienst Toeslagen, waardoor hij geen aanvraag heeft ingediend. De Raad van State oordeelde echter dat appellant geen bewijs heeft geleverd van het vermeende telefoongesprek en de onjuiste mededeling. Hierdoor ontbrak feitelijke grondslag voor zijn betoog en werd het hoger beroep ongegrond verklaard.

De uitspraak bevestigt dat de strikte toepassing van de wettelijke criteria in de Wht prevaleert, ook als sprake is van vermeende onjuiste informatie, tenzij dit aannemelijk wordt gemaakt. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de compensatie wordt bevestigd.

Uitspraak

202503013/1/A2.
Datum uitspraak: 22 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 april 2025 in zaak nr. 24/747 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 15 april 2022 heeft de Dienst Toeslagen geweigerd om [appellant] op grond van de Catshuisregeling een compensatie van € 30.000,00 toe te kennen.
Bij besluit van 4 december 2023 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 april 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1.       [appellant] heeft zich gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en heeft een verzoek om herbeoordeling van kinderopvangtoeslag gedaan. Naar aanleiding van dat verzoek heeft de Dienst Toeslagen onderzocht of in het kader van de zogenoemde lichte toets aanleiding bestaat om [appellant] het forfaitaire bedrag van € 30.000,00, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de Wet hersteloperatie Toeslagen (Wht), toe te kennen. Ingevolge die bepaling kent de Dienst Toeslagen dat forfaitaire bedrag toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor een herstelmaatregel en daarvoor vóór 1 januari 2024 een aanvraag heeft ingediend.
2.       Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 15 april 2022 is ten grondslag gelegd dat [appellant] nooit kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd.
Uitspraak van de rechtbank
3.       De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] niet heeft betwist dat hij nooit kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. [appellant] is dus geen aanvrager van kinderopvangtoeslag die op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de Wht aanspraak kan maken op de forfaitaire compensatie van € 30.000,00. Dat hij destijds mogelijk verkeerd is voorgelicht, is geen omstandigheid die de Dienst Toeslagen in het kader van de lichte toets heeft behoren te onderzoeken, aldus de rechtbank.
Hoger beroep
4.       [appellant] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank. Dat hij geen aanvraag om kinderopvangtoeslag heeft ingediend, is het gevolg van onjuiste informatie die hij destijds, in een telefoongesprek met een medewerker van de Dienst Toeslagen, heeft gekregen. Tijdens dat gesprek heeft hij van deze medewerker te horen gekregen dat hij niet in aanmerking komt voor kinderopvangtoeslag. Achteraf is echter gebleken dat deze informatie onjuist is. Het strikt vasthouden aan de vereisten van artikel 2.7, eerste lid, van de Wht leidt in dit geval tot een onredelijke uitkomst. Door compensatie uit te sluiten, terwijl op basis van onjuiste informatie van de overheid geen aanvraag om kinderopvangtoeslag is ingediend, wordt volgens [appellant] in strijd met de kern van de Hersteloperatie gehandeld.
Oordeel van de Afdeling
4.1.    Het betoog is gebaseerd op de premisse dat een telefoongesprek tussen [appellant] en een medewerker van de Dienst Toeslagen heeft plaatsgevonden en dat die medewerker tijdens dat gesprek een onjuiste mededeling heeft gedaan over de aanspraak van [appellant] op kinderopvangtoeslag.
4.2.    In de schriftelijke uiteenzetting heeft de Dienst Toeslagen te kennen gegeven dat het vermeende telefoongesprek niet in de systemen van de Dienst Toeslagen is terug te vinden en dat er bijvoorbeeld geen notitie van het vermeende telefoongesprek in die systemen is opgeslagen.
4.3.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] geen begin van bewijs geleverd van zijn stelling dat hij telefonisch contact met een medewerker van de Dienst Toeslagen heeft gehad, waarbij door deze medewerker de mededeling is gedaan dat [appellant] geen recht op kinderopvangtoeslag heeft. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit telefonisch onderhoud daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het betoog mist aldus feitelijke grondslag en kan alleen al hierom niet tot het door [appellant] beoogde resultaat leiden.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6.       De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026
452-1197