BRS.25.002468
Datum uitspraak: 24 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 9 december 2025 in zaak nr. NL25.57437 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 15 november 2025 heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 9 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. C.E. Stassen-Buijs, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Eerste grief
1. Appellant klaagt terecht dat de rechtbank niet heeft gereageerd op zijn betoog dat hij van 27 november 2025 tot en met 1 december 2025 zonder titel gedetineerd was, omdat de minister het opheffingsdocument op 27 november 2025 aan hem heeft uitgereikt en de minister de maatregel pas op 1 december 2025 feitelijk heeft opgeheven door hem naar een azc te brengen. De minister heeft tijdens de zitting in beroep erkend dat de maatregel op 27 november 2025 onrechtmatig was. Daarom had de rechtbank de maatregel vanaf die datum onrechtmatig moeten achten en schadevergoeding moeten toekennen.
1.1. De grief slaagt.
Tweede grief
2. De tweede grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de tweede grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
Conclusie
3. De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de grensdetentie vanaf een eerder moment onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is alsnog gegrond. Omdat de grensdetentie al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). De Afdeling kent deze vergoeding daarom aan appellant toe. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 9 december 2025 in zaak nr. NL25.57437;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. kent aan appellant een vergoeding toe van € 500,00 over de periode van 27 november 2025 tot en met 1 december 2025, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026
846-1122