202302771/1/A3.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 maart 2023 in zaak nr. 22/3030 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Procesverloop
Bij besluit van 25 november 2021 heeft de minister de aanvraag van [appellant] om een monsterboekje afgewezen.
Bij besluit van 22 april 2022 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 maart 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 26 november 2025, waar [appellant] en de minister, vertegenwoordigd door mr. P. van der Meer, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft bij het Kiwa Register een aanvraag gedaan voor een Nederlands monsterboekje. In een monsterboekje staan gegevens over de werkervaring en opleidingen van een zeevarende en het is een verplicht document voor registratie en identificatie van een zeevarende. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat [appellant] niet voldoet aan de eisen voor het afgeven van een monsterboekje.
2. De rechtbank heeft overwogen dat de minister beoordelingsruimte heeft bij het afgeven van een monsterboekje en dat de minister zijn bevoegdheid niet heeft overschreden. Volgens de rechtbank heeft [appellant] niet onderbouwd dat hij een monsterboekje nodig heeft voor de uitoefening van zijn beroep, omdat hij geen bewijsstukken heeft overgelegd die aantonen dat hij werkzaam is of zal zijn op zee. Een vaarbevoegdheidsbewijs is naar het oordeel van de rechtbank geen bewijsstuk. Het beoordelingskader voor een vaarbevoegdheidsbewijs is anders dan die voor een monsterboekje. Ook is de verwerkingstermijn van de aanvraag van een monsterboekje volgens de rechtbank niet onoverkomelijk dat daarop niet kan worden gewacht. De minister heeft daarom de aanvraag mogen afwijzen.
Hoger beroep
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat een geldig vaarbevoegdheidsbewijs voldoende bewijs is om in aanmerking te komen voor een monsterboekje. Het vaarbevoegdheidsbewijs is volgens [appellant] een document waaruit blijkt dat hij bevoegd is functies aan boord te doen waaraan beroepsvereisten zijn gesteld. Ook stelt [appellant] dat het aantonen van recente vaartijd, zoals door de minister vereist, geen wettelijk voorschrift is.
Beoordeling
4. De Afdeling stelt vast dat het monsterboekje het basisdocument is voor de registratie van bemanningsleden en daarnaast dient voor identificatie van de zeevarende als zeevarende tegenover de scheepvaartinspectie en in voorkomende gevallen ook tegenover andere autoriteiten. Om oneigenlijk gebruik van het monsterboekje te voorkomen is het wenselijk dat het monsterboekje alleen wordt afgegeven aan de personen, die het voor hun werk nodig hebben of die een specifieke opleiding volgen, waarbij werkzaamheden aan boord essentieel zijn (Stb. 2002, 25).
4.1. Zeevarenden moeten op grond van artikel 35 van de Wet zeevarenden in het bezit zijn van een geldig monsterboekje. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de afgifte van het monsterboekje. Uit artikel 97, tweede lid, van het Besluit zeevarenden volgt dat vier groepen in aanmerking komen voor de afgifte van een monsterboekje, waaronder degene die aantoont dat hij een zee-arbeidsovereenkomst is aangegaan of zal aangaan en degene die het monsterboekje naar het oordeel van de minister voor zijn beroepsuitoefening nodig heeft. Naast de groepen genoemd in artikel 97, tweede lid, van het Besluit komen op grond van artikel 2.2, tweede lid, van de Regeling zeevarenden ook personen in aanmerking die behoren tot bepaalde beroepsgroepen als zij kunnen aantonen het monsterboekje nodig te hebben voor de uitoefening van hun beroep aan boord van een schip tijdens zeereizen. Daaronder vallen bijvoorbeeld zeevarenden die geen zee-arbeidsovereenkomst zijn aangegaan en in het bezit zijn van een geldig vaarbevoegdheidsbewijs.
4.2. Anders dan [appellant] stelt is het enkele feit dat de zeevarende in het bezit is van een geldig vaarbevoegdheidsbewijs niet voldoende om in aanmerking te komen voor een monsterboekje. Uit de regelgeving volgt namelijk dat daarvoor ook is vereist dat de zeevarende kan aantonen het monsterboekje nodig te hebben voor de beroepsuitoefening aan boord van een schip tijdens zeereizen. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen. [appellant] heeft niet aangetoond dat hij werkzaamheden zal gaan verrichten aan boord van een schip en daarom een monsterboekje nodig heeft. Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellant] verklaard op dit moment geen concrete plannen te hebben om zeereizen te maken, maar dat hij niet uitsluit dat hij dit in de toekomst wel zal doen. Daarom heeft [appellant], na het verlengen van zijn vaarbevoegdheidsbewijs, een monsterboekje aangevraagd voor het geval hij in de komende tien jaar weer zeereizen zal maken. Naar het oordeel van de Afdeling voldoet [appellant] hiermee niet aan de vereisten uit het Besluit en de Regeling om in aanmerking te komen voor een monsterboekje. Hij heeft immers niet bij zijn aanvraag feitelijk onderbouwd dat hij het monsterboekje nodig had voor zijn beroepsuitoefening.
5. In het geval een zeevarende een aanvraag doet voor verlenging van een monsterboekje en hij kan aantonen dat hij in de afgelopen zes maanden in de zeevaart heeft gewerkt, dan verleent de minister het monsterboekje zonder te toetsen aan de vereisten uit het Besluit en de Regeling. [appellant] betoogt dat het aantonen van deze recente vaartijd niet berust op een wettelijk voorschrift. De Afdeling stelt met [appellant] vast dat inderdaad niet uit een wettelijk voorschrift volgt dat een zeevarende in aanmerking kan komen voor een monsterboekje door het aantonen van recente vaartijd. Dit volgt alleen uit het aanvraagformulier op de website van het Kiwa Register. De minister heeft op de zitting bij de Afdeling toegelicht dat het hier gaat om buitenwettelijk begunstigend beleid en dat het aantonen van recente vaartijd het makkelijker maakt voor actief zeevarenden om hun monsterboekje te verlengen. Hoewel de minister verplicht is te handelen overeenkomstig regelgeving en beleid, heeft de minister beslissingsruimte om zijn beleid te bepalen en is dit bij buitenwettelijk beleid niet ingekaderd door de formulering en systematiek van wettelijke voorschriften. Dit leidt tot een terughoudender toets door de bestuursrechter dan bij binnenwettelijk beleid. Naar het oordeel van de Afdeling is het niet onevenredig in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen dat de minister bij zeevarenden die voldoen aan de eis van recente vaartijd - en daarmee aantonen dat zij recent nog actief zeevarend zijn geweest - geen aanvullende bewijsstukken verlangt bij de verlenging van hun monsterboekje. Het aantonen van recente vaartijd is voor zeevarenden die hun monsterboekje willen verlengen immers gemakkelijker dan het moeten aantonen dat zij een zee-arbeidsovereenkomst zijn aangegaan of zullen aangaan of dat zij hun monsterboekje anderszins nodig hebben voor hun beroepsuitoefening. Het begunstigend beleid voorkomt ook dat een actief zeevarende die juist ten tijde van de verlenging geen actuele zee-arbeidsovereenkomst heeft, vervolgens bij het aangaan van een nieuwe zee-arbeidsovereenkomst zou worden gehinderd omdat hij geen geldig monsterboekje kan overleggen. Door daarbij op basis van de recente vaartijd aan te nemen dat een zeevarende, die aan deze vaartijdeis voldoet, naar redelijke verwachting het monsterboekje ook in de toekomst nodig zal hebben voor het uitvoeren van werkzaamheden aan boord van een schip, is de minister naar het oordeel van de Afdeling niet getreden buiten de hem toekomende beleidsvrijheid.
5.1. Het betoog slaagt niet.
6. Ten overvloede merkt de Afdeling op dat [appellant] situaties heeft genoemd waarbij er een urgentie bestaat om direct een monsterboekje te krijgen en niet te kunnen wachten op de afgifte daarvan. De Afdeling kan zich voorstellen dat zich zeer spoedeisende situaties kunnen voordoen waarin reders in het kader van het eventueel aangaan van een zee-arbeidsovereenkomst met een vaarbevoegd persoon als [appellant] niet de afgifte van het monsterboekje zullen willen afwachten. Bijvoorbeeld omdat de daarmee samenhangende vertraging bij de afvaart van het schip waarop de arbeidsovereenkomst zou moeten worden uitgevoerd mogelijk grote financiële gevolgen voor hen heeft. Ook de door de minister geïnitieerde ‘Express Service’ waarbij in voorkomende gevallen het monsterboekje uiterlijk op de tweede werkdag na aanvraag wordt afgegeven, kan naar het oordeel van de Afdeling in die situaties, en in het bijzonder in situaties in of rondom het weekend, onvoldoende zijn om de door [appellant] gestelde nadelige gevolgen te ondervangen. In dat kader zou de minister kunnen overwegen om voor dergelijke zeer urgente situaties een aanvullende voorziening te treffen. Dit leidt in dit geval echter niet tot het oordeel dat het besluit tot afwijzing van het monsterboekje onrechtmatig is. [appellant] heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke zeer urgente situatie zich in zijn geval heeft voorgedaan.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
8. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Langeveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
1104-317