ECLI:NL:RVS:2026:2212
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bewaring zonder vereiste zicht op uitzetting binnen redelijke termijn
De minister van Asiel en Migratie stelde appellant op 7 maart 2026 in bewaring. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 24 maart 2026 ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn geen vereiste is voor een bewaringsmaatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze bepaling is een omzetting van artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Opvangrichtlijn. Noch uit deze richtlijn, noch uit andere Unierechtelijke regelgeving volgt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn een vereiste is voor een bewaringsmaatregel die niet op uitzetting is gericht.
De Afdeling ziet geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, mede gelet op eerdere arresten zoals Cilfit, Consorzio Italian Management en Remling. Het hoger beroep bevat geen verdere vragen die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden. Ambtshalve ziet de Afdeling ook geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten.
De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond, bevestigt de uitspraak van de rechtbank en bepaalt dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bewaring wordt bevestigd zonder proceskostenveroordeling.