ECLI:NL:RVS:2026:2208
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake machtiging voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 10 juni 2024 een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf af. Betrokkene maakte bezwaar, dat op 6 maart 2025 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene op 2 maart 2026 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moet nemen.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist. Betrokkene gaf een schriftelijke reactie.
De voorzieningenrechter weegt de belangen van beide partijen en besluit de voorlopige voorziening toe te kennen. Hierdoor hoeft de minister de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren voordat de Afdeling bestuursrechtspraak op het hoger beroep heeft beslist. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.