AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beperking kennisneming vertrouwelijke stukken in AVG-bestuursrechtelijke procedure
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) stelde een onderzoek in naar bezoekerstellingen in de binnenstad van Enschede in de periode van 25 mei 2018 tot en met 30 april 2020. In het kader van dit onderzoek overhandigde de AP vertrouwelijke stukken aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, met het verzoek dat alleen de Afdeling zelf kennis zou mogen nemen van deze ongeschoonde stukken. Deze stukken bevatten bedrijfs- en fabricagegegevens, waaronder intellectueel eigendom van PFM Netherlands B.V., en informatie over de technische werking van systemen voor het verzamelen en pseudonimiseren van MAC-adressen.
De Afdeling overwoog dat het verzoek niet ging over openbaarmaking, maar over de rechtvaardiging van beperking van kennisneming op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierbij moest een belangenafweging plaatsvinden tussen het belang van partijen om over relevante informatie te beschikken en het belang van geheimhouding ter bescherming van bedrijfsgevoelige informatie en het effectief houden van toezicht.
De Afdeling concludeerde dat de belangen bij geheimhouding zwaarder wegen dan het belang van partijen bij kennisneming. Kennisneming door derden zou de belangen van Bureau RMC en PFM Netherlands B.V. kunnen schaden en het toezicht door de AP kunnen ondermijnen, doordat organisaties mogelijk terughoudender worden in het verstrekken van informatie. Daarom werd het verzoek van de AP tot beperkte kennisneming van de stukken toegewezen.
Uitkomst: Het verzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens tot beperking van kennisneming van vertrouwelijke stukken wordt toegewezen.
Uitspraak
202401622/2/A3.
Datum beslissing: 20 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het hoger beroep van:
de Autoriteit Persoonsgegevens (de AP),
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 2 februari 2024 in zaak nr. 22/775 in het geding tussen:
de AP
en
het college van burgemeester en wethouders van Enschede.
Procesverloop
De AP heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 2 februari 2024 in zaak nr. 22/775.
De AP heeft de vertrouwelijke versies van een aantal gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 vanPro de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken.
Het betreft de volgende stukken:
A. 3 juni 2019: MAC Hashing Analysis, PFM
B. 20 juni 2019 door PFM aangeleverde documenten
C. 15 juli 2019: E-mail met vragen aangeleverde documenten
D. 29 juli 2019: Tussentijdse resultaten pseudonimisering
E. 3 maart 2020: Globale analyse van broncode
F. 8 juli 2021: Onderzoek externe deskundige naar werking techniek
Het college heeft gereageerd op het verzoek.
Overwegingen
1. De hoofdzaak gaat over de oplegging van een bestuurlijke boete wegens overtreding van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
Het verzoek
2. De AP heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de in het procesverloop onder A t/m F genoemde ongeschoonde stukken kennis zal nemen. De stukken bevatten informatie die de AP heeft opgevraagd in het kader van een door haar ingesteld onderzoek naar de wijze waarop het college op verschillende plaatsen in de binnenstad van Enschede bezoekerstellingen heeft gedaan. Die tellingen vonden plaats in de periode van 25 mei 2018 tot en met 30 april 2020. Volgens de AP bevatten de stukken in de eerste plaats bedrijfs- en fabricagegegevens die vertrouwelijk aan haar zijn vertrekt, waarvan bovendien een deel intellectueel eigendom is van PFM Netherlands B.V. Ook heeft de AP toegelicht dat kennisneming van de ongeschoonde stukken kan leiden tot aantasting van de belangen die zijn gediend met het effectief houden van toezicht.
Beoordeling
3. Bij een verzoek als bedoeld in artikel 8;29, eerste lid, van de Awb gaat het niet om de vraag of stukken openbaar moeten worden gemaakt. Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.
4. Naar het oordeel van de Afdeling wegen de belangen bij geheimhouding van de ongeschoonde stukken zwaarder dan de belangen van partijen bij kennisneming van deze stukken.
De Afdeling heeft vastgesteld dat de ongeschoonde stukken bedrijfs- en fabricagegegevens bevatten die vertrouwelijk aan de AP zijn verstrekt door Bureau RMC en PFM Netherlands B.V. Hierin staat informatie over de broncode en de technische werking van de systemen die zijn gebruikt om MAC-adressen te verzamelen en te pseudonimiseren. De Afdeling deelt het standpunt van de AP dat dit bedrijfsgevoelige informatie is, en acht het aannemelijk dat kennisname van deze informatie door derden de belangen van Bureau RMC en PFM Netherlands B.V. onevenredig kan schaden.
De Afdeling acht het verder aannemelijk dat het bekend worden van de informatie uit de ongeschoonde stukken, in dit specifieke geval waar het gaat om bedrijfsvertrouwelijke informatie berustend bij een derde partij, kan leiden tot aantasting van het belang van inspectie, controle en toezicht door de AP (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2200)). De Afdeling volgt het standpunt van de AP dat dit kan betekenen dat organisaties terughoudender worden in het verstrekken van informatie, wat een volledig en efficiënt onderzoek bemoeilijkt.
5. De Afdeling acht het verzoek tot beperkte kennisneming daarom gerechtvaardigd.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek toe.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Kemerink op Schiphorst-Hofman, griffier.