ECLI:NL:RVS:2026:220

Raad van State

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
202406981/1/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestemmingsplan Eersel: Natuurontwikkeling en woningbouw op landgoed de Vloete

Op 14 januari 2026 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in een zaak over het bestemmingsplan "Beekherstel de Run Stevert - Landgoed de Vloete" dat op 17 september 2024 door de raad van de gemeente Eersel is vastgesteld. Dit bestemmingsplan voorziet in natuurontwikkeling en de realisatie van drie woningen en een (kleinschalig) paardenpension op het landgoed de Vloete. De appellant, die vreest voor schending van zijn privacy door de geplande uitkijktoren en het aantal woningen, heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. De Afdeling heeft de zaak op 2 april 2025 ter zitting behandeld, waarbij de appellant en de raad vertegenwoordigd door F. Verhagen aanwezig waren.

De Afdeling oordeelt dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan de belangen goed heeft afgewogen. De appellant betoogde dat de uitkijktoren een onaanvaardbare inbreuk op zijn privacy vormt, maar de Afdeling concludeert dat de afstand tot de uitkijktoren en de aanwezige beplanting voldoende waarborgen bieden. Daarnaast werd het aantal te realiseren woningen in verhouding tot de natuur als acceptabel beoordeeld. De Afdeling stelt vast dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er een goede balans is tussen de natuur en de woningen. Het beroep van de appellant is ongegrond verklaard, en de raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitspraak

202406981/1/R2.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
de raad van de gemeente Eersel,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 17 september 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Beekherstel de Run Stevert - Landgoed de Vloete" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 april 2025, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door F. Verhagen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 12 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2.       Het plan voorziet in natuurontwikkeling en de realisatie van landgoed de Vloete. Ten behoeve van de natuurontwikkeling worden agrarische gronden als natuur bestemd. Op het landgoed wordt voorzien in drie woningen en de herontwikkeling van een veehouderij naar een (kleinschalig) paardenpension. Ook wordt voorzien in een uitkijktoren.
[appellant] kan zich niet vinden in het plan, omdat hij onder andere vreest voor schending van zijn privacy door de uitkijktoren en zich niet kan vinden in het ontwikkelen van drie woningen.
Hoe beoordeelt de Afdeling een beroep tegen een bestemmingsplan?
3.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Beoordeling
4.       [appellant] betoogt dat met de vaststelling van het bestemmingsplan de functie van de gronden gewijzigd wordt van landbouw naar natuur en daardoor gestart kan worden met de uitvoering van het projectplan. De Afdeling stelt vast dat de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:712, onder 4.2, heeft geoordeeld dat de werkzaamheden in het kader van het projectplan Waterwet al kunnen worden uitgevoerd op grond van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied  2017, 2e  herziening". Op grond van dat bestemmingsplan waren de gronden bestemd als "Agrarisch met waarden-Landschappelijk en natuurlijke waarden" en op grond van artikel 4.1.1, aanhef en onder f, van de planregels zijn die gronden bestemd voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen. De Afdeling ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Gelet daarop kon het waterschap reeds beginnen met de uitvoering van het projectplan en ontstaat die bevoegdheid niet met de vaststelling van het bestemmingsplan waar deze procedure op ziet.
Uitkijktoren
5.       [appellant] betoogt ook dat vanaf de uitkijktoren zicht op zijn woning ontstaat. Dit vormt volgens hem een onaanvaardbare inbreuk op zijn privacy.
6.       De raad stelt zich op het standpunt dat de uitkijktoren niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy van [appellant]. De grens van de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van natuur-uitkijktoren" is op ruim 400 meter gelegen van de perceelsgrens van [appellant]. Daarnaast is de woning van [appellant] gelegen achter zijn bedrijfsgebouwen en staan er bomen om de woning en het perceel. Ook is de aanplant van bossen en houtsingels rondom het zoekgebied voor de uitkijktoren met een voorwaardelijke verplichting vastgelegd in het bestemmingsplan. Gelet op de afstand tot de uitkijktoren, de voorwaardelijke verplichting om beplanting aan te brengen en de ligging van de woning van [appellant], heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat de realisatie van de uitkijktoren de privacy van [appellant] niet onaanvaardbaar aantast.
Aantal te realiseren woningen
7.       [appellant] betoogt dat het plan voorziet in teveel woningen gezien de oppervlakte van het landgoed en de verhouding tussen natuur en landgoedwoningen. Daarnaast betoogt hij dat de bedrijfswoning aan de Nedermolen ten onrechte gehandhaafd blijft. Omdat deze woning zonder bedrijfsgebouwen is verkocht is het volgens hem feitelijk een particuliere woning. Hierdoor komt het totaal aantal te realiseren woningen op het landgoed op vier.
8.       De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat in het bestemmingsplan een goede balans wordt gehanteerd tussen de te realiseren landgoedwoningen en natuur. De raad wijst er in dat kader op dat circa 3000 m2 aan landgoedwoning wordt gerealiseerd ten opzicht van circa 17 hectare aan natuur. De realisatie van de natuur wordt middels een voorwaardelijke verplichting in artikel 5.3.2. van de planregels geborgd. De stelling van [appellant] dat de woning aan de Nedermolen 11 ook een particuliere woning wordt, mist bovendien feitelijke grondslag. Zoals uiteengezet in de toelichting, zal het bestaande agrarische bedrijf namelijk worden herontwikkeld tot een paardenpension inclusief bedrijfswoning. [appellant] heeft tot slot niet onderbouwd waarom het aantal te realiseren woningen in verhouding tot natuur volgens hem niet in balans is. Het betoog slaagt dan ook niet.
Kruidenrijk grasland
9.       De beroepsgrond dat het landgoed momenteel niet geschikt is om kruidenrijk grasland te realiseren geeft geen aanleiding voor de conclusie dat het besluit tot vaststellen van het bestemmingsplan gebreken bevat.
Conclusie
10.     Het beroep is ongegrond. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Duyster, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Duyster
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
664