Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2159

Raad van State

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
202500287/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 3.4, derde lid, Vb 2000 (oud)artikel 91, tweede lid, Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd na hoger beroep

Betrokkenen hadden een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bij besluit van 16 januari 2020 buiten behandeling werd gesteld. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank die het besluit vernietigde, stelde de minister een nieuw besluit van 28 februari 2025 waarin de afwijzing werd gehandhaafd.

De minister stelde dat hij niet bevoegd was om zijn discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (oud) te gebruiken, omdat betrokkenen rechtmatig verblijf hadden op basis van de Richtlijn tijdelijke bescherming, waardoor geen schrijnende situatie bestond. Betrokkenen voerden aan dat de rechtbank deze motivering al had verworpen.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank geen oordeel had gegeven over de motivering van de minister inzake de discretionaire bevoegdheid. De Afdeling vond de motivering van de minister deugdelijk en bevestigde dat er geen schrijnende situatie was die het gebruik van de discretionaire bevoegdheid rechtvaardigde. Het hoger beroep van de minister werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de minister ongegrond.

Uitspraak

202500287/1/V1.
Datum uitspraak: 16 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 18 december 2024 in zaak nr. NL23.32311 in het geding tussen:
[betrokkene 1] en [betrokkene 2]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 16 januari 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld.
Bij besluit van 21 september 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkenen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkenen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkenen, vertegenwoordigd door mr. A.M.J.M. Louwerse, advocaat in Purmerend, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 28 februari 2025 heeft de minister het tegen het besluit van 16 januari 2020 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Betrokkenen hebben daartegen beroepsgronden ingediend.
Overwegingen
Het hoger beroep
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
1.1.    In hoger beroep probeert de minister namelijk te herstellen wat hij bij de rechtbank had moeten doen. Daarvoor is het hoger beroep in de Vw 2000 niet bedoeld.
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden voor het hoger beroep.
Het beroep tegen het besluit van 28 februari 2025
3.       De Afdeling beoordeelt nu het beroep tegen het besluit van 28 februari 2025, dat de minister heeft genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank (artikel 6:19, eerste lid, samen met artikel 6:24 van Pro de Awb).
4.       De minister heeft in zijn besluit van 28 februari 2025 de afwijzing van de aanvragen van betrokkenen opnieuw gehandhaafd. Hij heeft zich daarin onder meer op het standpunt gesteld dat hij niet bevoegd is om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid om een verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 (oud), omdat betrokkenen rechtmatig verblijf hebben op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming en er dus geen noodzaak is om de aanvragen in te willigen. Hij heeft daarbij onder meer verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3090.
5.       Betrokkenen betogen in hun beroepsgronden dat de rechtbank de motivering van het standpunt van de minister waarom hij ervan heeft afgezien om zijn discretionaire bevoegdheid aan te wenden, al heeft verworpen in haar uitspraak van 18 december 2024. Volgens betrokkenen heeft de minister het nieuwe besluit daarom niet genomen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank.
5.1.    Uit de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 24 september 2018, onder 5.1, volgt dat de in artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 (oud) de minister de discretionaire bevoegdheid geeft om een verblijfsvergunning te verlenen aan een vreemdeling die niet op andere gronden daarvoor in aanmerking komt. De minister maakt van deze bevoegdheid gebruik bij zeer bijzondere individuele omstandigheden die in onderlinge samenhang bezien tot een schrijnende situatie leiden.
Anders dan betrokkenen betogen, heeft de rechtbank geen oordeel gegeven over de vraag of de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij wegens het rechtmatig verblijf van betrokkenen op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming ervan heeft afgezien om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid. De Afdeling begrijpt het standpunt van de minister dat hij niet bevoegd was om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid zo dat hij beoogt tot uitdrukking te brengen dat er door het rechtmatig verblijf van betrokkenen op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming geen schrijnende situatie aan de orde is die maakt dat hij gebruik moet maken van zijn discretionaire bevoegdheid.
De minister heeft daarmee deugdelijk gemotiveerd dat er geen zeer bijzondere individuele omstandigheden zijn die in onderlinge samenhang bezien tot een schrijnende situatie leiden. De situatie van betrokkenen is immers niet een schrijnende situatie als bedoeld in de hiervoor genoemde uitspraak van 24 september 2018, omdat er door hun rechtmatige verblijf geen uitzetting dreigt. Dit betekent dat de minister terecht heeft afgezien van aanwending van zijn bevoegdheid om met toepassing van artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 (oud) aan betrokkenen een verblijfsvergunning regulier te verlenen. Daaruit volgt ook dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat betrokkenen niet in aanmerking komen voor vrijstelling van betaling van leges. Gelet hierop is het niet nodig wat betrokkenen verder aanvoeren te bespreken.
6.       Het beroepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).
7.       Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden voor het beroep.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       verklaart het beroep tegen het besluit van 28 februari 2025, V-[…] en V-[…], ongegrond;
III.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkenen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV.      bepaalt dat van de minister van Asiel en Migratie een griffierecht van € 579,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van den Oosterkamp
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026
941-1151