ECLI:NL:RVS:2026:2159
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd na hoger beroep
Betrokkenen hadden een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bij besluit van 16 januari 2020 buiten behandeling werd gesteld. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank die het besluit vernietigde, stelde de minister een nieuw besluit van 28 februari 2025 waarin de afwijzing werd gehandhaafd.
De minister stelde dat hij niet bevoegd was om zijn discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (oud) te gebruiken, omdat betrokkenen rechtmatig verblijf hadden op basis van de Richtlijn tijdelijke bescherming, waardoor geen schrijnende situatie bestond. Betrokkenen voerden aan dat de rechtbank deze motivering al had verworpen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank geen oordeel had gegeven over de motivering van de minister inzake de discretionaire bevoegdheid. De Afdeling vond de motivering van de minister deugdelijk en bevestigde dat er geen schrijnende situatie was die het gebruik van de discretionaire bevoegdheid rechtvaardigde. Het hoger beroep van de minister werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de minister ongegrond.