Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2157

Raad van State

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
202407496/1/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:67 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing invordering verbeurde dwangsommen na overtreding gebruik perceel

Het hoger beroep betreft het invorderingsbesluit van 7 november 2023 van het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel, waarbij €10.000 aan verbeurde dwangsommen wordt gevorderd wegens het niet naleven van twee opgelegde lasten. Deze lasten hadden tot doel het gebruik van een perceel met groenbestemming als inrit te staken en de aangebrachte verharding te verwijderen.

De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellant tegen dit invorderingsbesluit ongegrond. Appellant stelde zich op het standpunt dat hij gerechtvaardigd vertrouwen ontleent aan uitlatingen van het college tussen 17 en 22 mei 2023, waardoor geen handhavend optreden zou volgen. De Afdeling bestuursrechtspraak toetste dit verweer en concludeerde dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het college toezeggingen heeft gedaan waaruit redelijkerwijs kon worden afgeleid dat het college zou afzien van invordering.

Daarnaast wees de Afdeling het betoog van appellant af dat de begunstigingstermijn niet op 22 mei 2023 maar op 27 mei 2023 zou zijn verstreken, omdat dit verweer te laat en in strijd met de goede procesorde werd ingebracht. De Afdeling bevestigde dat de begunstigingstermijn op 22 mei 2023 is verstreken en dat uit de mailwisseling tussen de rechtsbijstandsverlener van appellant en de juridisch adviseur van het college geen toezegging tot verlenging of afzien van invordering kan worden afgeleid.

De Afdeling concludeerde dat het college terecht is overgegaan tot invordering van de dwangsommen en bevestigde het bestreden vonnis. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het invorderingsbesluit van €10.000 aan verbeurde dwangsommen wordt bevestigd.

Uitspraak

202407496/1/R2.
Datum uitspraak: 14 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in De Mortel, gemeente Gemert-Bakel,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 31 oktober 2024 in zaak nr. 24/2368 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel.
Openbare zitting gehouden op 14 april 2026 om 10:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.A. Minderhoud, voorzitter;
griffier: mr. M. Scheele;
jurist: mr. R. Hellinga.
Verschenen:
-[appellant], bijgestaan door R. Scholten, rechtsbijstandverlener in Apeldoorn;
-Het college, vertegenwoordigd door mr. P. Fermont.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 31 oktober 2024 van de rechtbank Oost-­Brabant. Deze uitspraak gaat over het invorderingsbesluit van het college van 7 november 2023, waarin het college overgaat tot invordering van €10.000,00 aan verbeurde dwangsommen wegens het niet nakomen van twee opgelegde lasten onder dwangsom. Deze lasten hadden als doel om het gebruik van het perceel met een groenbestemming als inrit te staken en dit zo te houden en om de daar aangebrachte verharding te verwijderen. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] tegen het invorderingsbesluit ongegrond verklaard.
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Redenen voor dit oordeel:
1.       [appellant] beroept zich op gerechtvaardigd vertrouwen dat hij ontleent aan uitlatingen van het college tussen 17 mei en 22 mei 2023. En hij meent dat daarom niet zou worden overgegaan tot handhavend optreden. Volgens hem is het oordeel van de rechtbank hierover onjuist.
2.       Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.
3.       Op de zitting heeft [appellant] betoogd dat de begunstigingstermijn niet op 22 mei 2023, maar op 27 mei 2023 is verstreken. [appellant] verwijst daarbij naar het besluit van het college tot oplegging van beide dwangsommen van 22 februari 2023, verzonden op 27 februari 2023. De Afdeling constateert dat dit betoog, rijkelijk laat want voor het eerst op zitting in hoger beroep, is aangevoerd. Dit is in strijd met een goede procesorde zodat de Afdeling hier niet op in zal gaan. Het enkele feit dat deze datum eens is genoemd in een mailwisseling met een medewerker van de gemeente maakt niet dat [appellant] het eerder in beroep heeft aangevoerd, zoals hij stelt. De Afdeling merkt daarnaast nog op dat in het invorderingsbesluit ook staat dat de begunstigingstermijn op 22 mei 2023 verstrijkt.
4.       De Afdeling houdt het er derhalve voor dat de begunstigingstermijn op maandag 22 mei 2023 verstreek.
5.       Op woensdag 17 mei 2023 heeft de rechtsbijstandsverlener van [appellant] verzocht om de begunstigingstermijn te verlengen tot na 22 mei 2023. Op dezelfde dag heeft de juridisch adviseur van het college per mailbericht gevraagd aan welke termijn van verlenging deze dacht. Uit dit laatste mailbericht blijkt weliswaar dat sprake is van enige welwillendheid om de termijn te verlengen, maar hieruit kan niet worden afgeleid hoe het college de bevoegdheid tot invordering zou gaan uitoefenen. Daarnaast heeft deze juridisch adviseur verzocht om een snelle reactie, omdat de gemeente in de twee dagen daarna gesloten zou zijn in verband met Hemelvaart.
De rechtsbijstandsverlener van [appellant] heeft niet meer tijdig gereageerd op deze vraag, waarna op 22 mei 2023 de termijn om de overtreding ongedaan te maken was verlopen en verlenging van de begunstigingstermijn niet meer mogelijk was.
6.       De Afdeling concludeert dat uit deze mailwisseling niet kan worden afgeleid dat het college niet over zou gaan tot invordering van de verbeurde dwangsommen.
7.       De rechtbank heeft deze feiten juist beoordeeld, zodat het hoger beroep ongegrond is.
8.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Scheele
griffier
723-1192