Het hoger beroep betreft de omgevingsvergunning voor een aanbouw aan de woning van een partij in Vught. Appellant betoogde dat het college ten onrechte het peil heeft bepaald aan de hand van de bovenkant van de afgewerkte vloer van het hoofdgebouw, terwijl volgens hem de gemiddelde hoogte van het terrein als peil moet gelden.
De rechtbank Oost-Brabant had het beroep ongegrond verklaard, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt anders. De Afdeling stelt dat artikel 1.56, onder b van het bestemmingsplan 'Villapark Loonsebaan' van toepassing is, dat het peil bepaalt als de gemiddelde hoogte van het terrein bij voltooiing van de bouw.
De Afdeling concludeert dat het college onvoldoende heeft aangetoond dat de gemiddelde hoogte van het terrein gelijk is aan de hoogte van de afgewerkte vloer van het hoofdgebouw. De meetrapportage van de door het college overgelegde partij geeft geen juiste weergave van het peil volgens het bestemmingsplan. Daarom wordt het besluit op bezwaar en de uitspraak van de rechtbank vernietigd en wordt het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. Het college moet een nieuw besluit nemen binnen de geldende termijn.
Uitkomst: Het besluit op bezwaar en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd vanwege onjuiste peilbepaling; het college moet een nieuw besluit nemen en proceskosten vergoeden.
Uitspraak
202403402/1/R2.
Datum uitspraak: 14 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Vught,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 1 mei 2024 in zaak nr. 23/241 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Vught.
Openbare zitting gehouden op 14 april 2026 om 10:45 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.A. Minderhoud, voorzitter;
griffier: mr. M. Scheele;
jurist: mr. R. Hellinga.
Verschenen:
-[appellant], bijgestaan door mr. M.J. Smaling, rechtsbijstandverlener in Utrecht;
-het college, vertegenwoordigd door ir. I.A.G.J. Reijnders;
-[partij].
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 1 mei 2024 van de rechtbank OostBrabant. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning van [partij] voor een aanbouw aan zijn woning. [appellant] heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van het college van 19 december 2022 waarin deze vergunning in stand is gelaten, omdat het college in de vergunning volgens hem voor het bepalen van het peil ten onrechte is aangesloten bij de bovenkant van de afgewerkte vloer van het hoofdgebouw.
De rechtbank heeft dit beroep ongegrond verklaard.
De Afdeling
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 1 mei 2024 in zaak nr. 23/241;
III. vernietigt het besluit van 19 december 2022;
IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Vught tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.597,00, waarvan € 3.542,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Vught aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 463,00 vergoedt.
Redenen voor dit oordeel:
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
2. Naar het oordeel van de Afdeling kan artikel 1.56, onder b van de planregels van het bestemmingsplan "Villapark Loonsebaan" bij de bepaling van het peil worden toegepast. Dit artikel bepaalt dat het peil voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst gelijk is aan de gemiddelde hoogte van het terrein bij voltooiing van de bouw. Zoals de rechtbank ook heeft overwogen is toepassing van dit artikel, anders dan [appellant] betoogt, in het voorliggende geval niet evident onrechtmatig. Dat dit als gevolg heeft dat gronden van het perceel kunnen worden opgehoogd, waardoor het peil hoger kan uitvallen geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.
3. De Afdeling is voorts van oordeel dat de hoofdtoegang van de aanbouw dezelfde is als die van het hoofdgebouw. Anders dan [appellant] betoogt, staat het ontbreken van een hoofdtoegang in de aanbouw dus ook niet in de weg aan toepassing van artikel 1.56, onder b van de planregels.
4. Dat betekent dat voor het bepalen van het peil gekeken moet worden naar de gemiddelde hoogte van het terrein, en dus in dit geval het hele perceel, bij voltooiing van de bouw. Het college heeft naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat de gemiddelde hoogte van het terrein bij voltooiing van de bouw dezelfde is als die van de afgewerkte vloer van het hoofdgebouw, waarvan het in het bestreden besluit is uitgegaan. In dat verband oordeelt de Afdeling dat niet gebleken is dat de meetrapportage van Spectgroep van 6 juni 2025, die het college in hoger beroep heeft aangeleverd, een juiste weergave van het peil als bedoeld in artikel 1.56, onder b van de planregels geeft. De gemiddelde hoogte van het hele terrein is hier namelijk niet in opgenomen.
In dit opzicht is de uitspraak van de rechtbank dus onjuist.
5. Het beroep van [appellant] is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant en vernietigt het besluit op bezwaar van het college 19 december 2022, waarin het heeft besloten op de bezwaren van [appellant] tegen de omgevingsvergunning voor een aanbouw. Het college moet de proceskosten van [appellant] vergoeden.
6. Het college zal nu opnieuw een besluit over de bezwaren van [appellant] moeten nemen binnen de daarvoor geldende termijn.