ECLI:NL:RVS:2026:214

Raad van State

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
202401290/1/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N.H. van den Biggelaar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.12 WaboArt. 3.9 WaboArt. 3.12 bestemmingsplan Hoogvenne Armhoef 2007Art. 4 Bor
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging omgevingsvergunning voor verbouwing ondanks kleine overschrijding bestemmingsplan

Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg verleende op 11 maart 2021 een omgevingsvergunning aan de eigenaresse van een woning voor de verbouwing van haar pand, nadat zij zonder vergunning was begonnen met bouwen. Een omwonende, appellant, maakte bezwaar tegen deze vergunning en stelde dat het college fouten had gemaakt bij de verlening, met name over de toegestane hoeveelheid bebouwing en de berekening van het bouwperceel.

De rechtbank stelde vast dat het college aanvankelijk onvoldoende had gemotiveerd welk bestemmingsplan en welke bouwregels van toepassing waren, en gaf het college de gelegenheid dit te herstellen. Na aanvulling verklaarde de rechtbank het beroep van appellant ongegrond, omdat de overschrijding van de achtergevelrooilijn zeer klein en stedenbouwkundig aanvaardbaar was.

In hoger beroep betoogde appellant dat de overschrijding groter was dan het college aangaf en dat het bouwperceel onjuist was berekend. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellant deze punten weliswaar had betwist, maar dat dit niet tot vernietiging van de uitspraak leidde. Het college had terecht het driehoekige kadastrale perceel betrokken bij de berekening en de afwijking van circa 1,5 m2 was acceptabel binnen de beleidsruimte die het college heeft om af te wijken van het bestemmingsplan.

De Afdeling concludeerde dat het college de belangen zorgvuldig had afgewogen en de vergunning rechtmatig had verleend. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning bevestigd ondanks een kleine overschrijding van het bestemmingsplan.

Uitspraak

202401290/1/R2.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Tilburg,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­-West-­Brabant van 19 januari 2024 in zaak nr. 22/2470 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.
Procesverloop
Bij besluit van 11 maart 2021 heeft het college aan [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van haar woning aan de [locatie 1] in Tilburg.
Bij besluit van 30 maart 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (hierna: het oorspronkelijke besluit).
Bij tussenuitspraak van 6 juni 2023 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het college in de gelegenheid gesteld een in die uitspraak geconstateerd gebrek aan het oorspronkelijke besluit te herstellen.
Bij besluit van 6 juli 2023 heeft het college de onderbouwing van het oorspronkelijke besluit aangevuld (hierna: het herstelbesluit).
Bij uitspraak van 19 januari 2024 (hierna: de einduitspraak) heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen de einduitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 27 oktober 2025, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. D. Heuker of Hoek, advocaat in ’s-Hertogenbosch, en het college, vertegenwoordigd door J.M.B. van Overdijk, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 1 december 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2.       [vergunninghoudster] is de eigenaresse van de woning op [locatie 1] in Tilburg. Zij is begonnen met de verbouwing van het pand zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning. Op 1 december 2020 heeft zij een omgevingsvergunning aangevraagd om de verbouwing te legaliseren. Deze heeft het college verleend op 11 maart 2021. [appellant] woont op [locatie 2] en komt op tegen deze omgevingsvergunning. Volgens haar heeft het college fouten gemaakt bij de verlening van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo.
Samenvatting van de rechtbankuitspraak
3.       De rechtbank heeft in de tussenuitspraak geconstateerd dat het college in het besluit op bezwaar niet is ingegaan op welk bestemmingsplan en welke bouwregels er op deze locatie gelden. Vervolgens heeft de rechtbank geconcludeerd dat uit de dossierstukken niet valt af te leiden of [vergunninghoudster] heeft gebouwd in overeenstemming met het bestemmingsplan. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om deze gebreken te herstellen. Het college heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak op 6 juli 2023 een herstelbesluit genomen. In het herstelbesluit heeft het college de motivering van de omgevingsvergunning aangevuld.
In de einduitspraak heeft de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het herstelbesluit ongegrond verklaard. [vergunninghoudster] heeft weliswaar te veel gebouwd achter de achtergevelrooilijn van de woning, maar het college heeft dit aanvaardbaar geacht omdat het gaat om een zeer kleine overschrijding van de regel van het bestemmingsplan, die stedenbouwkundig aanvaardbaar is. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het college de omgevingsvergunning voldoende heeft gemotiveerd en mocht verlenen.
Het hoger beroep
4.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Volgens haar is onduidelijk hoeveel bebouwing er wordt toegestaan in de omgevingsvergunning. Zij wijst erop dat in de bouwtekeningen verschillende maatvoeringen worden gebruikt voor het deel van de bebouwing dat gesloopt is. Dit leidt er volgens haar toe dat de afwijking van het bestemmingsplan veel groter is dan waar het college van uitgaat, namelijk 8 m2 in plaats van 1,5 m2. Ook heeft college volgens haar de oppervlakte van het bouwperceel niet goed berekend, omdat het college het driehoekige kadastrale perceel achterin de tuin niet had mogen meerekenen. De rechtbank heeft overwogen dat zij de berekening van het college over de omvang van de bebouwing niet heeft betwist, maar dat klopt niet. [appellant] heeft dit gedaan in de brief van 26 juli 2023 en in bijlage 1 bij die brief.
5.       De Afdeling stelt voorop dat [appellant] er terecht op wijst dat zij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, in de brief van 26 juli 2023 en de bijlage daarbij wel heeft betwist wat de oppervlakte van het bouwperceel is en hoe groot de overschrijding van de toegestane hoeveelheid bebouwing is. Dit leidt alleen niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank gelet op het volgende.
6.       Uit wat besproken is op de zitting, maakt de Afdeling op dat het [appellant] vooral te doen is om helder te krijgen wat er wel en niet is toegestaan op het perceel. Op het perceel vinden volgens haar diverse illegale (bouw)activiteiten plaats, waar zij overlast van ondervindt. Maar in deze procedure kan alleen aan de orde komen of het college de omgevingsvergunning voor de verbouwing mocht verlenen.
7.       Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
8.       Artikel 3.12 van het bestemmingsplan "Hoogvenne Armhoef 2007" luidt:
"1. Het is verboden een bouwwerk te bouwen:
a. met overschrijding van de op de plankaart aangegeven achtergevelrooilijn;
(…)
2. Het bepaalde onder 3.12.1 sub a is niet van toepassing op:
(…)
d. bijgebouwen en aan- of uitbouwen bij woningen en bij andere gebouwen dan woningen met dien verstande dat -onverminderd het bepaalde in 3.14 en 3.15- per woning, respectievelijk per functionele eenheid mag worden bebouwd t.b.v. bijgebouwen of aan- of uitbouwen:
- 20 m² indien de oppervlakte van het achter de achtergevelrooilijn gelegen gedeelte van het bouwperceel 50 m² of minder bedraagt;
- 40 % van het achter de achtergevelrooilijn gelegen gedeelte van het bouwperceel, indien de oppervlakte van dat deel meer dan 50 m² bedraagt met een maximum van:
• 60 m2 indien de oppervlakte van het achter de achtergevelrooilijn gelegen gedeelte van het bouwperceel meer dan 150 m² bedraagt en tevens de perceelsoppervlakte niet meer dan 1000 m2 bedraagt;
• 80 m² indien de oppervlakte van het achter de achtergevelrooilijn gelegen gedeelte van het bouwperceel meer dan 200 m² bedraagt en tevens de perceelsoppervlakte groter is dan 1000 m² maar niet meer dan 2000 m²;
• 100 m2 indien het achter de achtergevelrooilijn gelegen gedeelte van het bouwperceel meer bedraagt dan 250 m² en tevens de perceelsoppervlakte meer bedraagt dan 2000 m².
De maximum bouwhoogte voor bijgebouwen en aan- of uitbouwen bedraagt 4,5 meter, waarbij in de perceelsgrens vanaf een maximale hoogte van 3.00 meter een afschuiningshoek van 45° in acht moet worden genomen. Deze afschuining geldt niet in 27 die gevallen waarbij op het naastgelegen perceel in de perceelscheiding al een gebouw met een zelfde of hogere hoogte aanwezig is dan wel gelijktijdig wordt opgericht."
9.       In artikel 3.12 van het bestemmingsplan "Hoogvenne Armhoef 2007" is bepaald hoeveel bebouwing er op het perceel opgericht mag worden. [appellant] en het college zijn het er over eens dat er op het perceel van [vergunninghoudster] meer bebouwing staat dan is toegestaan op grond van die regels. Uit artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo in combinatie met artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II bij het Bor (Besluit omgevingsrecht), volgt dat het college in bepaalde gevallen kan toestaan om meer bebouwing toe te staan dan is vastgelegd in het bestemmingsplan als dit niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening.
In het herstelbesluit staat dat er 1,5 m2 meer wordt gebouwd dan op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. De Afdeling ziet in het betoog van [appellant] geen reden om te twijfelen aan de berekening die het college heeft gemaakt van de oppervlakte van het bouwperceel en de toegestane hoeveelheid bebouwing. [appellant] heeft erop gewezen dat in de bouwtekening verschillende maatvoeringen worden gebruikt voor het deel van de bebouwing dat nu gesloopt is. Maar het college heeft toegelicht dat de maatvoering van de bebouwing die gesloopt is, hier niet is gebruikt voor de berekening van de oppervlakte van het bouwperceel en de toegestane hoeveelheid bebouwing. Het college heeft op de zitting toegelicht dat de gegevens in het zogenoemde GIS-systeem (geografische informatiesysteem) bepalend zijn geacht. Ook heeft het college gegevens uit het kadaster gebruikt. Hierin staan de grootte van percelen en bouwwerken vastgelegd. Voor de nieuwe bebouwing moet het college wel kijken naar de bouwtekeningen. De Afdeling stelt vast dat het college terecht uit de ingediende bouwtekeningen heeft geconcludeerd dat de afwijking ongeveer 1,5 m2 groot is. Daarbij is van belang dat het college het driehoekige kadastrale perceel achterin de tuin, anders dan [appellant] betoogt, mocht betrekken in de berekening van de oppervlakte van het bouwperceel. In artikel 1.1 van de planregels is het begrip bouwperceel gedefinieerd als: "Een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing en het daarbij behorend gebruik zijn toegelaten". Bij de vaststelling van de omvang van een bouwperceel is de actuele situatie bepalend. Daarbij wordt in beginsel uitgegaan van kadastrale percelen. Voor het antwoord op de vraag of het om één bouwperceel gaat, is ook van belang of het om bij elkaar behorende bebouwing gaat. Het bestaan van zo’n situatie leidt ertoe dat meerdere kadastrale percelen in ruimtelijke zin als een geheel worden aangemerkt. Daar is in dit geval sprake van. Beide kadastrale percelen zijn in eigendom van [vergunninghoudster]. De kadastrale percelen hebben weliswaar verschillende bestemmingen, op het driehoekige kadastrale perceel achterin de tuin geldt de bestemming "Gemengd" terwijl op het grote kadastrale perceel waar de woning op staat de bestemming "Wonen" geldt, maar artikel 10.1.1.1, onder f, van de planregels bepaalt dat de gronden met de bestemming "Gemengd" mede bestemd zijn voor wonen. Op dit kadastrale perceel is ook bebouwing voor wonen toegelaten: op grond van artikel 3.12, tweede lid, onder d, geldt dat daar bijgebouwen en aan- of uitbouwen zijn toegestaan. Hieruit volgt naar het oordeel van de Afdeling dat de kadastrale percelen in ruimtelijke zin als één geheel kunnen worden aangemerkt.
Het college vindt de afwijking van het bestemmingsplan voor zover het gaat om de maximale bebouwing stedenbouwkundig aanvaardbaar omdat het een kleine afwijking is van de regels uit het bestemmingsplan. Ook blijft er met het huidige bouwplan volgens het college voldoende onbebouwd terrein achter de woning over, zodat er een kwalitatieve buitenruimte is die voldoet aan artikel 3.14 van de regels van het bestemmingsplan. De Afdeling kan deze motivering van het college volgen. [appellant] heeft ook niet betoogd waarom deze motivering van het college niet klopt.
Gelet op het bovenstaande ziet de Afdeling geen reden voor het oordeel dat het college deze omgevingsvergunning niet heeft mogen verlenen. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
10.     Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
11.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Schellingerhout, griffier.
w.g. Van den Biggelaar
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schellingerhout
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
980