AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek opheffing schorsing last onder dwangsom wegens illegale afvaloverbrenging
De staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat legde op 4 juni 2025 aan Wessem Port Services Stein B.V. (WPS) een last onder dwangsom op wegens overtreding van milieuregelgeving omtrent de overbrenging van afvalstoffen. Het betrof ruim 2 miljoen kilogram aluminiumhydroxide filterkoek die zonder vereiste kennisgeving van België via Nederland naar Frankrijk werd vervoerd.
WPS maakte bezwaar tegen het besluit en vroeg schorsing, welke door de voorzieningenrechter werd toegekend en gehandhaafd. De staatssecretaris verzocht vervolgens om opheffing van deze schorsing, stellende dat WPS als overtreder moet worden aangemerkt en dat de afvalstoffen dringend teruggenomen moeten worden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat weliswaar een overtreding is begaan, maar dat onvoldoende is gemotiveerd waarom WPS als overtreder moet worden aangemerkt. Ook is onduidelijk of de afvalstoffen als gevaarlijk moeten worden geclassificeerd, wat van belang is voor de uitvoering van de last. De begunstigingstermijn van 30 dagen is te kort om dit te onderzoeken en de afvalstoffen af te voeren.
Daarom is het verzoek tot opheffing van de schorsing afgewezen en is de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan WPS. De uitspraak is voorlopig en niet bindend in de bodemprocedure.
Uitkomst: Het verzoek van de staatssecretaris tot opheffing van de schorsing van de last onder dwangsom tegen WPS wordt afgewezen.
Uitspraak
202600202/2/R4.
Datum uitspraak: 16 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van:
de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
verzoeker,
om opheffing of wijziging (artikel 8:87 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb)) van de bij uitspraak van 3 juli 2025 in zaaknr. 202503757/2/R4, getroffen voorlopige voorziening in het geding tussen:
Wessem Port Services Stein B.V. (WPS)
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 4 juni 2025 heeft de staatssecretaris aan WPS een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2, onder 35, aanhef en onder 5 a en b, van Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (de EVOA).
WPS heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 juni 2025 en de voorzieningenrechter van de Afdeling (voorzieningenrechter) gevraagd het besluit te schorsen.
De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 3 juli 2025 in zaaknr. 202503757/2/R4 het besluit van 4 juni 2025 geschorst. Bij uitspraak van 30 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3934 heeft de voorzieningenrechter de schorsing gehandhaafd.
Bij besluit van 18 december 2025 heeft de staatssecretaris het door WPS gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft WPS beroep ingesteld.
Bij brief van 10 maart 2026 heeft de staatssecretaris de voorzieningenrechter gevraagd de bij uitspraak van 3 juli 2025 getroffen voorlopige voorziening op te heffen.
WPS heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 9 april 2026, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. K. Ulmer, M.H. Broeksman, ir. E. Christan en B.G.M. van Huet, en WPS, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. A. Wever, advocaat te Den Bosch, zijn verschenen. Verder is op de zitting Nancyport SAS, vertegenwoordigd door mr. M.E. Mantel, advocaat te Amsterdam, gehoord.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
Inleiding
2. In de periode van 5 mei tot en met 20 november 2019 heeft het inmiddels failliete Turner Waste Intermediate B.V. in totaal 2.097.300 kilogram afvalstoffen, bestaande uit aluminiumhydroxide filterkoek, (de afvalstoffen) met vrachtwagentransporten laten overbrengen van de productielocatie van Malvé N.V. in België, naar de op- en overslaglocatie van WPS in Stein. Daar zijn de vrachtwagenladingen met afvalstoffen verzameld en samengevoegd tot één partij afvalstoffen, die in maart 2020 per schip naar Nancyport in Frankrijk is overgebracht.
Op 14 april 2021 heeft de Franse bevoegde autoriteit (PNTTD) de staatssecretaris verzocht om ervoor te zorgen dat de afvalstoffen op grond van artikel 24, tweede lid, van de EVOA worden teruggenomen, omdat de afvalstoffen zonder de vereiste voorafgaande kennisgeving en toestemming van de bevoegde autoriteiten zijn overgebracht. In eerste instantie heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat Malvé verantwoordelijk is voor de overbrenging van België naar Frankrijk via Nederland en dat het verzoek tot terugname gericht moet worden aan de Belgische bevoegde autoriteit. In een besluit op een bezwaar van Nancyport van 18 november 2024 heeft de staatssecretaris dit standpunt herzien. Vervolgens heeft de staatssecretaris het besluit van 4 juni 2025 genomen.
Bij het besluit van 4 juni 2025 heeft de staatssecretaris WPS gelast om binnen 30 dagen na bekendmaking van dit besluit de afvalstoffen uit Frankrijk terug te nemen naar een vergunde bewerkings- of verwerkingsinstallatie in Nederland. Als de PNTTD en de staatssecretaris daarmee instemmen, mogen de afvalstoffen volgens het besluit ook ter verwerking naar een andere vergunde inrichting in de Europese Unie worden afgevoerd. Aan de last is een dwangsom verbonden van € 10,00 per ton afvalstoffen per dag dat niet aan de last wordt voldaan, met een maximum van € 420.000,00.
Hangende het bezwaar van WPS tegen het besluit van 4 juni 2025 heeft de voorzieningenrechter, naar aanleiding van een verzoek van WPS, bij uitspraak van 3 juli 2025 in zaaknr. 202503757/2/R4 bij wijze van een ordemaatregel het besluit van 4 juni 2025 geschorst. Bij uitspraak van 20 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter de schorsing gehandhaafd.
Bij besluit van 18 december 2025 heeft de staatssecretaris het door WPS gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft WPS beroep ingesteld.
Bij brief van 10 maart 2026 heeft de staatssecretaris gevraagd om opheffing van de bij uitspraak van 3 juli 2025 uitgesproken schorsing van het besluit van 4 juni 2025.
Wettelijk kader
3. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Het verzoek
4. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat de bij uitspraak van 3 juli 2025 getroffen voorlopige voorziening moet worden opgeheven. Daartoe voert hij aan dat, anders dan uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 augustus 2025 volgt, er een overtreding is begaan en dat WPS als overtreder moet worden aangemerkt. Hij wenst dat de schorsing wordt opgeheven, omdat door de PNTTD wordt aangedrongen op het terughalen van de afvalstoffen. Verder wijst hij erop dat door Nancyport bij brief van 10 september 2025 is gedreigd met een dagvaarding in kort geding wanneer de afvalstoffen niet binnen vier weken worden teruggenomen.
Beoordeling van het verzoek
5. De voorzieningenrechter zal hierna beoordelen of aanleiding bestaat de bij uitspraak van 3 juli 2025 getroffen voorlopige voorziening op te heffen.
Overtreding
6. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat een overtreding is begaan. De afvalstoffen zijn zonder een daarvoor benodigde kennisgeving overgebracht naar Nancyport. Die kennisgeving was op grond van artikel 3, eerste lid, onder b, onder iii, van de EVOA nodig. De afvalstoffen zijn geen afvalstoffen die onder Bijlagen III, IIIA en IIIB zijn ingedeeld en zijn zonder de vereiste kennisgeving overgebracht. Op de zitting heeft WPS ook te kennen gegeven dat zij niet langer bestrijdt dat sprake is van een overtreding.
Het voorgaande betekent echter niet dat de voorzieningenrechter, omdat een overtreding is begaan, aanleiding ziet de schorsing op te heffen. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de staatssecretaris namelijk onvoldoende gemotiveerd dat WPS als overtreder moet worden aangemerkt. Dit zal hierna worden toegelicht.
Overtreder
7. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat WPS overtreder is, omdat zij als kennisgever op grond van artikel 24, tweede lid, van de EVOA verantwoordelijk is voor de overbrenging van de afvalstoffen naar Frankrijk en daarmee ook voor terugname daarvan. Volgens de staatssecretaris is WPS kennisgever, omdat zij als eerste producent kan worden aangemerkt.
7.1. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de staatsecretaris niet voldoende gemotiveerd waarom WPS overtreder is.
De staatssecretaris heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat WPS als eerste producent moet worden aangemerkt. De onderbouwing van dit standpunt is nagenoeg gelijk aan de onderbouwing die de staatssecretaris eerder heeft gegeven bij de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 20 augustus 2025. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de staatssecretaris nog steeds onvoldoende gemotiveerd waarom WPS als eerste producent moet worden aangemerkt. De voorzieningenrechter onderschrijft op dit punt overweging 5.4 van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 augustus 2025 en verwijst daarnaar.
De staatssecretaris heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat WPS als houder kan worden aangemerkt en om die reden als kennisgever verantwoordelijk is voor de terugname van de afvalstoffen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de staatssecretaris dit standpunt in deze fase van de procedure onvoldoende heeft geconcretiseerd. Zoals ook uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 augustus 2025, onder verwijzing naar artikel 2, onder 15, onder a, onder vi, van de EVOA, volgt, is een houder pas kennisgever als alle andere in die bepaling opgesomde (rechts)personen onbekend of insolvabel zijn. De staatssecretaris heeft de voorzieningenrechter er met de gegeven toelichting ter zitting nog niet van overtuigd dat die situatie zich hier voordoet. Ook de eerst op de zitting gegeven opsomming van voorwaarden waaraan zou moeten worden voldaan om Malvé als kennisgever aan te kunnen merken, is in dat verband onvoldoende geconcretiseerd om als voldoende vaststaand aan te nemen dat WPS als kennisgever en daarmee als overtreder is aan te merken.
De voorzieningenrechter ziet, gelet op het voorgaande en gelet op wat hierna volgt over de begunstigingstermijn, geen grond voor opheffing van de bij uitspraak van 3 juli 2025 getroffen voorlopige voorziening.
Begunstigingstermijn
8. In de uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 augustus 2025 is overwogen dat de in het besluit van 4 juni 2025 opgenomen begunstigingstermijn van 30 dagen geenszins voldoende moet worden geacht om uitvoering te kunnen geven aan de last. De staatssecretaris heeft deze begunstigingstermijn bij het besluit op bezwaar van 18 december 2025 gehandhaafd.
In het besluit op bezwaar van 18 december 2025 heeft de staatssecretaris voor het antwoord op de vraag of een overtreding is begaan, niet langer doorslaggevend geacht of de afvalstoffen gevaarlijk zijn. Echter, de voorzieningenrechter constateert dat de last niet anders is geformuleerd dan in het besluit van 4 juni 2025. Voor de uitvoering van de last is het echter wel van belang of de afvalstoffen gevaarlijk zijn. De last verplicht er immers toe dat de afvalstoffen worden afgevoerd naar een vergunde bewerkings- of verwerkingsinstallatie in Nederland. Ook mogen de afvalstoffen, als de Franse autoriteit en de staatssecretaris daarmee instemmen, binnen de gegeven termijn van 30 dagen ter verwerking naar een andere vergunde inrichting in de Europese Unie worden afgevoerd. Voor het antwoord op de vraag welke afvalverwerker de vereiste vergunning heeft om de afvalstoffen te verwerken en of WPS zelf deze afvalstoffen op haar terrein zou mogen opslaan, moet dus nog steeds worden vastgesteld of die afvalstoffen gevaarlijk zijn. Immers, indien sprake is van gevaarlijke afvalstoffen zal WPS deze vanuit Nancyport rechtstreeks naar de daartoe bevoegde verwerker of bewerker in Nederland of een andere lidstaat dienen te transporteren, zonder die afvalstoffen eerst op haar eigen terrein op te slaan. In dat verband heeft WPS ook nog aangevoerd dat een verwerker of bewerker van dergelijke gevaarlijke afvalstoffen naar verwachting niet in staat is om de ruim 2 miljoen kilogram aan afvalstoffen in één keer in ontvangst te nemen, zodat rekening moet worden gehouden met een gefaseerde levering daarvan.
Op de zitting is aan de orde geweest dat nog niet voldoende vaststaat of de afvalstoffen gevaarlijk zijn. Uit de analyses van bureau Eurofins uit 2021, uitgevoerd in opdracht van de PNTTD, volgt dat sprake is van gevaarlijk afval. Uit de door WPS overgelegde onderzoeksresultaten van SGS van 12 november 2025 volgt echter dat geen sprake is van gevaarlijk afval. De staatsecretaris heeft vervolgens het RIVM gevraagd een onderzoek te doen naar de gevaarsindeling van de afvalstoffen. Uit het onderzoek van het RIVM van 4 maart 2026 volgt dat het verschil in de conclusies tussen het onderzoek van Eurofins en SGS is te verklaren doordat in het onderzoek van Eurofins is uitgegaan van een worstcasebenadering en in het onderzoek van SGS niet. Het RIVM komt in zijn advies tot de conclusie dat de afvalstof is in te delen als gevaarlijke afvalstof wanneer wordt uitgegaan van een worstcasebenadering. Het RIVM adviseert om meer informatie in te winnen over de stoffen die Malvé toepast voor haar proces in de oppervlaktebehandeling van de anodisering van aluminiumprofielen. Het is volgens het RIVM de verwachting dat deze informatie uit de vergunningverlening te achterhalen is. Uit de conclusie van het onderzoek van het RIVM volgt dat aan de hand van deze informatie het mogelijk is om de worstcasebenadering te nuanceren. Op de zitting is deze conclusie toegelicht door de opsteller van het onderzoek. Uit die toelichting volgt dat het in ieder geval enkele weken duurt voordat een dergelijk onderzoek is uitgevoerd en er afdoende zekerheid bestaat over de gevaarsindeling.
Een begunstigingstermijn van 30 dagen is te kort om de onderzoeksresultaten af te wachten en de afvalstoffen overeenkomstig de last af te voeren. Ook om deze reden is de voorzieningenrechter niet voornemens de schorsing op te heffen.
Conclusie en slot
9. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om opheffing af te wijzen.
10. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek af;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat tot vergoeding van bij Wessem Port Services Stein B.V. in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.E.P. van Gulik, griffier.
w.g. Knol
voorzieningenrechter
w.g. Van Gulik
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026
776
BIJLAGE
Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (de EVOA)
Artikel 2, aanhef en onder 9, luidt:
"„producent":
eenieder wiens activiteiten afvalstoffen voortbrengen (eerste producent) en/of eenieder die voorbehandelingen, vermengingen of andere bewerkingen verricht die resulteren in een wijziging van de aard of samenstelling van die afvalstoffen (nieuwe producent)."
Artikel 2, aanhef en onder 15, onder a, luidt:
"„kennisgever":
a) in geval van overbrenging vanuit een lidstaat, de onder de rechtsmacht van die lidstaat vallende natuurlijke of rechtspersoon die voornemens is de afvalstoffen over te brengen of te laten overbrengen en gehouden is door de kennisgevingsplicht. De kennisgever is een van de hieronder genoemde personen of instanties in de aangegeven volgorde:
i) de eerste producent; of
ii) de vergunde nieuwe producent die handelingen verricht vóór de overbrenging; of
iii) een vergunde inzamelaar die de overbrenging — die zal aanvangen vanaf één locatie waarvan kennisgeving is gedaan — uit diverse kleine hoeveelheden van eenzelfde soort afvalstoffen uit verschillende bronnen heeft samengesteld; of
iv) een geregistreerde handelaar die door de eerste producent, de nieuwe producent of de bevoegde inzamelaar, zoals bedoeld onder i), ii) en iii), schriftelijk gemachtigd werd om namens hen als kennisgever op te treden;
v) een geregistreerde makelaar die door de eerste producent, de nieuwe producent of de bevoegde inzamelaar, zoals bedoeld onder i), ii) en iii), schriftelijk gemachtigd werd om namens hen als kennisgever op te treden;
vi) wanneer alle onder i), ii), iii), iv), en eventueel v), bedoelde personen onbekend of insolvabel zijn, de houder.
Indien een kennisgever als bedoeld onder iv) of v) niet voldoet aan de bepalingen inzake de terugnameplicht van de artikelen 22 tot en met 25, wordt voor de toepassing van die bepalingen als kennisgever beschouwd, de eerste producent, de nieuwe producent of de bevoegde inzamelaar als omschreven onder i), ii), of iii), die deze handelaar of makelaar gemachtigd heeft namens hem te handelen. In geval een gemachtigde handelaar of makelaar als omschreven onder iv) of v) kennisgeving doet van een illegale overbrenging, wordt voor de toepassing van deze verordening als kennisgever beschouwd, de persoon als omschreven onder i), ii), of iii), die deze handelaar of makelaar gemachtigd heeft;"
"1. Indien een bevoegde autoriteit een transport ontdekt dat volgens haar illegaal is, stelt zij onverwijld de overige betrokken bevoegde autoriteiten hiervan in kennis.
2. Indien de verantwoordelijkheid voor de illegale overbrenging berust bij de kennisgever, zorgt de bevoegde autoriteit van verzending ervoor dat de betrokken afvalstoffen:
a) worden teruggenomen door de kennisgever de facto, of, indien geen kennisgeving is gedaan,
b) worden teruggenomen door de kennisgever de jure, of, indien dit niet mogelijk is,
c) worden teruggenomen door de bevoegde autoriteit van verzending zelf dan wel namens haar door een natuurlijke of rechtspersoon, of, indien dit niet mogelijk is,
d) anderszins worden verwijderd of nuttig toegepast in het land van bestemming of verzending door de bevoegde autoriteit van verzending zelf dan wel namens haar door een natuurlijke of rechtspersoon, of, indien dit niet mogelijk is,
e) anderszins worden verwijderd of nuttig toegepast in een ander land door de bevoegde autoriteit van verzending zelf dan wel namens haar door een natuurlijke of rechtspersoon, indien alle betrokken bevoegde autoriteiten daarmee instemmen.
De terugname, nuttige toepassing of verwijdering gebeurt binnen 30 dagen, of een andere tussen de betrokken bevoegde autoriteiten overeengekomen periode, nadat de bevoegde autoriteit van verzending kennis heeft gekregen, of door de bevoegde autoriteiten van bestemming of doorvoer schriftelijk in kennis is gesteld, van het illegale transport en van de reden(en) daarvan. Een dergelijke kennisgeving kan voortvloeien uit informatie die onder meer door andere bevoegde autoriteiten aan de bevoegde autoriteiten van bestemming of doorvoer is verstrekt.
In geval van terugname als bedoeld onder a), b) en c), is een nieuwe kennisgeving vereist, tenzij de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomen dat een naar behoren gemotiveerd verzoek van de oorspronkelijke bevoegde autoriteit van verzending volstaat.
De nieuwe kennisgeving dient te worden gedaan door de onder a), b) of c), genoemde persoon of autoriteit, in die volgorde.
De bevoegde autoriteiten verzetten zich niet tegen de terugzending van afvalstoffen van een illegale overbrenging. Ingeval de bevoegde autoriteit van verzending een andere voorziening treft dan bedoeld onder d) of e), dient de oorspronkelijke bevoegde autoriteit van verzending, dan wel een natuurlijke of rechtspersoon namens haar, een nieuwe kennisgeving te doen, tenzij de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomen dat een naar behoren gemotiveerd verzoek van die bevoegde autoriteit volstaat.
3. […]
4. […]
5. Met name in gevallen waarin de verantwoordelijkheid voor de illegale overbrenging noch aan de kennisgever, noch aan de ontvanger kan worden toegeschreven, werken de bevoegde autoriteiten samen om te bewerkstelligen dat de betrokken afvalstoffen verwijderd of nuttig toegepast worden.
6. […]
7. Indien in een lidstaat afvalstoffen van een illegale overbrenging worden ontdekt, is de bevoegde autoriteit die de rechtsmacht heeft over het gebied waarin de afvalstoffen zijn ontdekt, ervoor verantwoordelijk dat voorzieningen worden getroffen om de afvalstoffen veilig op te slaan, in afwachting van het moment waarop zij worden teruggezonden of op andere wijze niet-voorlopig worden nuttig toegepast of verwijderd.
8. […]
9. […]
10. Dit artikel laat het communautaire en nationale aansprakelijkheidsrecht onverlet."
"1. Indien de bevoegde autoriteiten van verzending en van ontvangst het niet eens kunnen worden over de indeling wat betreft het onderscheid tussen afval en niet-afval, worden de betrokken stoffen behandeld als afval, onverminderd het recht van het land van bestemming om het overgebrachte materiaal na aankomst volgens zijn eigen wetgeving te behandelen, voorzover deze wetgeving in overeenstemming is met de Gemeenschapswetgeving of het internationaal recht.
2. Indien de bevoegde autoriteiten van verzending en van ontvangst het niet eens kunnen worden over de indeling van de aangemelde afvalstoffen in de lijst van bijlage III, III A, III B of IV, worden de betrokken afvalstoffen als afvalstoffen van bijlage IV beschouwd.
3. Indien de bevoegde autoriteiten van verzending en van ontvangst het niet eens kunnen worden over de indeling van de afvalstoffenbehandeling als verwijdering dan wel als nuttige toepassing, worden de bepalingen inzake verwijdering toegepast.
4. De leden 1 tot en met 3 zijn alleen van toepassing in het kader van deze verordening en laten het recht van belanghebbenden om geschillen over deze kwesties langs gerechtelijke weg te regelen, onverlet."
Wet milieubeheer
Artikel 10.60, tweede lid, luidt:
"Het is verboden handelingen te verrichten als bedoeld in artikel 2, onder 35, van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen."