Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2124

Raad van State

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
BRS.26.000854
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging inreisverbod door Raad van State na ongegrond beroep rechtbank

Op 5 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een inreisverbod uitgevaardigd tegen appellant. Appellant heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, die op 16 februari 2026 het beroep ongegrond verklaarde.

Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft het hoger beroep beoordeeld en geoordeeld dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. De motivering van de rechtbank is overgenomen zonder verdere nadere motivering, omdat het hogerberoepschrift geen relevante vragen bevat die de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin raken.

Ook zijn er geen vragen gerezen over de uitleg of geldigheid van Unierechtelijke bepalingen. De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen het inreisverbod is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

BRS.26.000854
Datum uitspraak: 17 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 16 februari 2026 in zaak nr. NL26.6588 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 5 februari 2026 heeft de minister een inreisverbod tegen appellant uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 16 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.T.V. Le, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 5 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van C.M.J.B. A Campo LLM, griffier.
w.g. Essenburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. A Campo
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026
907