ECLI:NL:RVS:2026:210

Raad van State

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
202300377/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sluiting van woning wegens drugshandel

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van de burgemeester van Gorinchem tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, die op 8 december 2022 het besluit van de burgemeester om de woning van [appellant A] en [appellant B] voor zes maanden te sluiten, heeft vernietigd. De burgemeester had deze sluiting opgelegd op basis van een bestuurlijke rapportage van de politie, waarin werd gesteld dat er in de woning harddrugs werden verhandeld. De rechtbank oordeelde echter dat de burgemeester niet bevoegd was om de woning te sluiten, omdat er onvoldoende bewijs was dat er daadwerkelijk een handelshoeveelheid drugs in de woning aanwezig was. De rechtbank baseerde haar oordeel op een discrepantie in de gewichten van de aangetroffen drugs, waarbij de forensische opsporing een gewicht van 0,4 gram had vastgesteld, terwijl de burgemeester uitging van 0,56 gram. De rechtbank concludeerde dat de aangetroffen hoeveelheid niet als handelshoeveelheid kon worden aangemerkt, maar als gebruikershoeveelheid. De burgemeester ging in hoger beroep, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De burgemeester werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De zaak benadrukt de noodzaak van zorgvuldige bewijsvoering bij besluiten tot sluiting van woningen op basis van de Opiumwet.

Uitspraak

202300377/1/A3.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
de burgemeester van Gorinchem, en [appellant A] en [appellant B], wonend in Gorinchem,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 december 2022 in zaak nr. 22/157 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
de burgemeester
Procesverloop
Bij besluit van 8 juli 2021 heeft de burgemeester de woning aan de [locatie] in Gorinchem voor zes maanden gesloten.
Bij besluit van 9 december 2021 heeft de burgemeester het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 december 2022 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 december 2021 vernietigd, het bezwaar tegen het besluit van 8 juli 2021 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester hoger beroep ingesteld.
[appellant A] en [appellant B] hebben incidenteel hoger beroep en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
[appellant A] en [appellant B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De burgemeester heeft een zienswijze ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 oktober 2025, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. R.S. Namjesky, advocaat in Breda, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant A] en [appellant B] wonen in de woning aan de [locatie] in Gorinchem. Zij huren deze woning van de Stichting Poort 6. De burgemeester heeft op 28 juni 2021 een bestuurlijke rapportage, gedateerd op 27 juni 2021, van de politie ontvangen, waarin kort samengevat het volgende staat weergegeven. Op 23 juni 2021 heeft de politie een onderzoek ingesteld naar een zoon van [appellant A] en [appellant B], [zoon A], die op dat moment tijdelijk ook in de woning verbleef. De politie heeft in zijn auto, een Fiat Punto, een handelshoeveelheid harddrugs aangetroffen. Bij een doorzoeking van de woning heeft de politie een handelshoeveelheid harddrugs, twee boksbeugels, grote hoeveelheden contant geld en een pollepel met resten cocaïne aangetroffen. In een andere auto van [zoon A], een Fiat Seicento die tegenover de woning stond geparkeerd, heeft de politie ook een handelshoeveelheid harddrugs aangetroffen. In de auto van een andere zoon van [appellant A] en [appellant B], [zoon B], heeft de politie ook een handelshoeveelheid harddrugs aangetroffen.
Op 24 juni 2021 zijn de inbeslaggenomen stoffen en goederen op de aanwezigheid van verdovende middelen getest door een specialist van de Forensische Opsporing. Hieruit bleek dat alle aangetroffen verpakkingen met poeder, brokjes en pillen, goederen zijn zoals genoemd in lijst 1 van de Opiumwet.
Gelet op de bevindingen in de bestuurlijke rapportage is het naar het standpunt van de burgemeester voldoende aannemelijk dat in of vanuit de woning werd gehandeld in verdovende middelen. Op 24 juni 2021 heeft de burgemeester besloten om de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet met toepassing van spoedeisende bestuursdwang te sluiten voor de duur van maximaal twee weken. Bij besluit van 30 juni 2021 heeft de burgemeester deze beslissing op schrift gesteld. Tevens heeft de burgemeester op 30 juni 2021 aan [appellant A] en [appellant B] het voornemen bekend gemaakt om de woning voor een periode van zes maanden te sluiten. Bij besluit van 8 juli 2021 heeft de burgemeester besloten om met toepassing van een last onder bestuursdwang de woning te sluiten gedurende zes maanden. Het bezwaar hiertegen heeft de burgemeester bij besluit van 9 december 2021 ongegrond verklaard.
2.       De rechtbank heeft het beroep van [appellant A] en [appellant B] gegrond verklaard, omdat de burgemeester naar het oordeel van de rechtbank niet bevoegd was om de woning te sluiten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat er aanleiding was voor twijfel aan de juistheid van de bestuurlijke rapportage. Volgens de bestuurlijke rapportage is in de woning in een tasje van [zoon B] een hoeveelheid cocaïne aangetroffen die 0,56 gram woog en in beginsel dus een handelshoeveelheid betrof. In het proces-verbaal van de forensische opsporing van 25 juni 2021 staat echter aangegeven dat het een hoeveelheid van 0,4 gram betreft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester niet deugdelijk gemotiveerd waarom toch wordt uitgegaan van het gewicht van 0,56 gram. Volgens de rechtbank moet worden uitgegaan van de weging van de forensische opsporing en dus van een gewicht van 0,4 gram. Daarom kan de in de woning aangetroffen harddrugs niet worden aangemerkt als een handelshoeveelheid, maar moet worden uitgegaan van een gebruikershoeveelheid. Verder is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de woning een rol vervult binnen de drugshandel. Niet is gebleken dat de in de auto’s aangetroffen drugs zijn te relateren aan drugshandel in of vanuit de woning. Ook ten aanzien van de in de woning aangetroffen contante geldbedragen is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat die gerelateerd kunnen worden aan drugshandel.
Beoordeling van het incidenteel hoger beroep van [appellant A] en [appellant B]
3.       [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het bezwaar en beroep niet alleen was gericht tegen het besluit van 8 juli 2021, maar ook tegen het besluit van 30 juni 2021 waarin de toepassing van spoedeisende bestuursdwang op schrift is gesteld. Uit de zienswijze van 5 juli 2021 en het bezwaarschrift kon volgens hen de bedoeling worden afgeleid dat de bezwaren ook waren gericht tegen de spoedsluiting.
3.1.    Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder c, dient een bezwaarschrift een omschrijving te bevatten van het besluit waartegen het bezwaar is gericht. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uit het bezwaarschrift van 23 juli 2021 niet kan worden afgeleid dat dit ook is gericht tegen het besluit van 30 juni 2021. Hiertoe is ten eerste van belang dat uit de inhoud van het bezwaarschrift niet kan worden afgeleid dat het de bedoeling was dat het bezwaar tevens is gericht tegen de toepassing van spoedeisende bestuursdwang. In het bezwaarschrift is de spoedeisende bestuursdwang op geen enkele wijze genoemd. Bovendien werden [appellant A] en [appellant B] bijgestaan door een advocaat, zodat verwacht mocht worden dat een dergelijke bedoeling uit het bezwaarschrift zou zijn gebleken. Verder wordt in de aanhef van het bezwaarschrift alleen vermeld dat bezwaar wordt gemaakt tegen het besluit van 8 juli 2021. Hoewel hierbij het zaaknummer Z/21/712981 is vermeld dat bij beide besluiten hoort, is in de aanhef van het bezwaar verder alleen het kenmerk D-757841 van het besluit van 8 juli 2021 vermeld, en niet ook het kenmerk van het besluit van 30 juni 2021, D-756064. In de aanvullende gronden van bezwaar van 17 september 2021 is dus ten onrechte gesteld dat bij brief van 23 juli 2021 ook bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 30 juni 2021. [appellant A] en [appellant B] hebben niet bestreden dat de brief van 17 september 2021 niet alsnog als bezwaarschrift tegen dat besluit hoefde te worden aangemerkt, aangezien de termijn voor het indienen van bezwaar tegen het besluit van 30 juni 2021 op dat moment ruimschoots was verstreken. De Afdeling ziet verder geen grond om de zienswijze van 5 juli 2021 aan te merken als bezwaarschrift. Uit de tekst van deze brief, die ook door een advocaat is opgesteld, blijkt alleen dat deze is bedoeld als zienswijze tegen het voornemen van 30 juni 2021 om de woning voor zes maanden te sluiten. Uit niets blijkt dat ook is bedoeld op te komen tegen de toegepaste spoedeisende bestuursdwang.
Gelet op het voorgaande is de omvang van het geschil beperkt tot het besluit van 8 juli 2021.
Het betoog slaagt niet.
Beoordeling van het hoger beroep van de burgemeester
4.       De burgemeester betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van een handelshoeveelheid harddrugs die in de woning is aangetroffen. Hiertoe voert de burgemeester aan dat de rechtbank ten onrechte veel waarde heeft gehecht aan informatie uit het strafdossier en dat de burgemeester bij het opstellen van het primaire besluit en de beslissing op het bezwaarschrift niet op de hoogte was van die informatie en het verschil in weging van de drugs. De burgemeester stelt dat hij uit moest en mocht gaan van de bestuurlijke rapportage waaruit blijkt dat het zakje met inhoud is gewogen en in zijn geheel 0,56 gram woog. Voor het strafdossier is de inhoud uit het zakje gehaald en gewogen. De inhoud zonder het zakje heeft een gewicht van 0,40 gram. In het algemeen heeft een gripzakje een gewicht van 0,09 tot 0,12 gram. Ook kunnen er bij het leegmaken van het zakje wat minimale resten zijn achtergebleven. Er kan niet meer achterhaald worden of het onderzoek op deze manier heeft plaatsgevonden. Op het moment van de vondst van het zakje van 0,56 gram was er al sprake van een overschrijding van de toegestane gebruikershoeveelheid drugs en deze werd nog meer overschreden door de vondst van een grote hoeveelheid verdovende middelen in de auto’s van zoons [zoon A] en [zoon B]. Ook is door de vondst van cocaïne op een pollepel en het aanslaan van de drugshond in het toilet bij de doorzoeking in de woning aannemelijk dat er meer dan de gebruikershoeveelheid drugs in de woning was, aldus de burgemeester.
4.1.    Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, luidt:
"De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is."
4.2.    In haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling verwijst voor deze uitgangspunten daarom naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het hoger beroep.
De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang als in een woning een middel als bedoeld in lijst I of lijst II, behorend bij de Opiumwet (hierna kortweg: drugs, harddrugs of softdrugs), wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Doorgaans houdt de last in dat de woning voor een bepaalde periode wordt gesloten.
De burgemeester kan artikel 13b van de Opiumwet toepassen als er in of vanuit een woning in drugs wordt gehandeld (verkopen, afleveren, verstrekken) of als drugs met het oog op die handel in de woning aanwezig zijn. Als uitgangspunt kan worden aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 g harddrugs, 5,0 g softdrugs of vijf (hennep)planten (het door het openbaar ministerie gehanteerde criterium voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking.
4.3.    Gelet op voorgaand kader staat ter beoordeling of er in of vanuit de woning in drugs werd gehandeld of dat drugs met het oog op die handel in de woning aanwezig waren. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat de in de woning aangetroffen cocaïne een handelshoeveelheid harddrugs betreft, omdat in de bestuurlijke rapportage van 27 juni 2021 staat dat in de woning een zakje met 0,56 gram cocaïne is aangetroffen.
4.4.    Een bestuursorgaan mag, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekende bestuurlijke rapportage, voor zover deze bevindingen eigen waarnemingen van de opsteller van de rapportage weergeven. Als die bevindingen worden betwist, dan zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zulke twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
4.5.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er ten aanzien van het gewicht van de in de woning aangetroffen harddrugs grond bestaat voor zodanige twijfel aan deze bevinding in de bestuurlijke rapportage, dat deze niet aan het besluit ten grondslag kon worden gelegd. Uit het proces-verbaal van de forensische opsporing van 25 juni 2021 blijkt immers dat het zakje een hoeveelheid van 0,4 gram cocaïne bevatte. Volgens dit proces-verbaal is bij het wegen gebruik gemaakt van een gekalibreerde weegschaal. In een aanvullende bestuurlijke rapportage van 28 februari 2022 heeft de politie ook aangegeven dat er gelet op de bevindingen van de forensische opsporing een verschil in weging bestaat van 0,16 gram. Verder staat hierin dat er geen onderzoek is gedaan naar de reden van het verschil in gewicht, en dat een dergelijk onderzoek niet meer mogelijk is. De politie heeft derhalve zelf geen verklaring kunnen geven voor het verschil in gewicht. Gelet hierop kan de niet-onderbouwde verklaring die de burgemeester in hoger beroep geeft over het verschil in gewicht, niet worden gevolgd. Evenmin kan het betoog worden gevolgd dat de burgemeester niet op de hoogte was van het verschil in weging van de drugs. In bezwaar hebben [appellant A] en [appellant B] hier immers op gewezen, en in het advies van de bezwaarschriftencommissie is in reactie hierop overwogen dat in het midden kan worden gelaten of een hoeveelheid van 0,4 of 0,56 is aangetroffen. Gelet op de gekalibreerde weging van 0,4 gram door de forensische opsporing heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de burgemeester niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij toch is uitgegaan van de weging van 0,56 gram.
Ten aanzien van de vondst van cocaïne op een pollepel en het aanslaan van de drugshond in het toilet bij de doorzoeking van de woning, heeft de rechtbank gemotiveerd dat en waarom daaraan geen conclusies kunnen worden verbonden over de aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs in de woning. De Afdeling kan zich vinden in die overwegingen en voegt daaraan nog toe dat de veronderstelde cocaïne op de pollepel door de forensische opsporing niet is onderzocht.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de burgemeester niet deugdelijk heeft onderbouwd dat in de woning een handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen.
Het betoog slaagt niet.
5.       De burgemeester betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat op grond van andere feiten en omstandigheden aannemelijk is dat de woning een rol speelde in de verkoopketen van verdovende middelen. Hiertoe voert de burgemeester aan dat uit observaties van de politie is gebleken dat [zoon A] een aantal malen vanuit de woning direct naar de Fiat Seicento is gelopen die tegenover de woning stond geparkeerd, hij deze auto openmaakte, iets uit de auto haalde en hij vervolgens met de andere auto, de Fiat Punto, vertrok. Vanuit de woning was zicht op de Fiat Seicento die al geruime tijd tegenover de woning stond geparkeerd. [zoon A] en [zoon B] verbleven feitelijk in de woning. In totaal is in drie auto’s van de zoons van [appellant A] en [appellant B] een aanzienlijke hoeveelheid harddrugs aangetroffen. Verder voert de burgemeester aan dat bij het besluit om de woning te sluiten is betrokken dat er een grote hoeveelheid contant geld is gevonden bij de huiszoeking. De rechtbank heeft hierbij ten onrechte niet onderkend dat in de bestuurlijke rapportage staat vermeld dat [appellant A] geen verklaring kon geven over de herkomst van het geld.
5.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de burgemeester niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in of vanuit de woning in drugs werd gehandeld. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat er aanwijzingen zijn voor drugshandel op straat en dat er aanzienlijke hoeveelheden drugs werden bewaard in de auto’s. Die auto’s stonden echter niet op het erf van de woning. De bestuurlijke rapportage bevat geen concrete aanwijzingen dat er drugshandel in of vanuit de woning plaatsvond. De omstandigheid dat er in de woning een grote hoeveelheid contant geld is aangetroffen leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat [appellant A] de herkomst van het geld heeft verklaard en onderbouwd met een brief van de bank, maakt de enkele aanwezigheid van een grote hoeveelheid contant geld nog niet aannemelijk dat er vanuit de woning drugs zijn verhandeld.
De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de burgemeester niet bevoegd was om de woning voor zes maanden te sluiten.
Het betoog slaagt niet.
6.       Het hoger beroep van de burgemeester is gelet op het voorgaande ongegrond.
Voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
7.       [appellant A] en [appellant B] hebben in hun incidenteel hoger beroep ook gronden aangevoerd onder de voorwaarde dat het hoger beroep van de burgemeester gegrond is. Nu het hoger beroep van de burgemeester ongegrond zal worden verklaard, is deze voorwaarde niet vervuld en is het voorwaardelijke deel van het incidenteel hoger beroep vervallen. Aan een inhoudelijke bespreking ervan kan derhalve niet worden toegekomen.
Conclusies over de hoger beroepen
8.       Gelet op het voorgaande is het hoger beroep van [appellant A] en [appellant B] ongegrond. Het hoger beroep van de burgemeester is ongegrond, zodat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
9.       De burgemeester moet de proceskosten vergoeden.
Overschrijding redelijke termijn
10.     Ter zitting hebben [appellant A] en [appellant B] verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).
10.1.  De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
10.2.  De burgemeester heeft het bezwaarschrift van [appellant A] en [appellant B] op 24 juli 2021 ontvangen. De redelijke termijn is in deze procedure dus met zes maanden overschreden. Deze overschrijding moet aan de Afdeling worden toegerekend.
10.3.  De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Derhalve wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 500,00.
10.4.  De Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moet de proceskosten vergoeden die [appellant A] en [appellant B] hebben gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart de hoger beroepen ongegrond;
II.       bevestigt de aangevallen uitspraak;
III.      veroordeelt de burgemeester van Gorinchem tot vergoeding van bij  [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.907,41, waarvan € 1.868,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV.     bepaalt dat van de burgemeester van Gorinchem een griffierecht van € 548,00 wordt geheven;
V.      wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;
VI.     veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant A] en [appellant B] een schadevergoeding van € 500,00 te betalen;
VII.     veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het verzoek tot schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. G.O. van Veldhuizen, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Houtman-van de Meerakker, griffier.
w.g. Den Ouden
voorzitter
w.g. Houtman-van de Meerakker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
929