AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen afwijzing verwijdering politiegegevens na strafrechtelijk onderzoek
In deze zaak hebben appellanten hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van hun verzoeken om verwijdering van politiegegevens op grond van artikel 28 vanPro de Wet politiegegevens (Wpg). Deze gegevens waren in het kader van een strafrechtelijk onderzoek door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) bij een clouddienstaanbieder gevorderd en uitgeleverd. De strafrechter had de vorderingen rechtmatig bevonden, maar bepaald dat het klantdossier moest worden vernietigd omdat er geen noodzaak meer was voor het onderzoek.
De minister had aanvankelijk de verwijderingsverzoeken afgewezen, later herzien en de verwijdering alsnog toegewezen door het klantdossier ontoegankelijk te maken (uitgrijzen). Vervolgens wees de minister het verzoek opnieuw af, stellende dat de wijze van vernietiging niet via de bestuursrechter kan worden aangevochten maar via de strafrechter. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, hetgeen in hoger beroep werd bevestigd.
De Afdeling oordeelde dat artikel 28 WpgPro geen ruimer vernietigingsrecht biedt dan artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en dat de strafrechter de juiste instantie is voor klachten over de wijze van vernietiging. Het verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen werd afgewezen, maar het verzoek om vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd toegewezen. De Staat werd veroordeeld tot betaling van €1.000,- schadevergoeding en proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn wordt toegewezen en het overige verzoek wordt afgewezen.
Uitspraak
202304291/1/A3.
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellante B], wonend in Bussum, gemeente Gooise Meren,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 mei 2023 in zaken nrs. 21/3422 en 21/3795 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellante B]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluiten van 15 april 2021 en 12 mei 2021 heeft de minister de verzoeken van [appellant A] en [appellante B] op grond van artikel 28 vanPro de Wet politiegegevens (Wpg) om verwijdering van gegevens afgewezen.
Bij afzonderlijke besluiten van 29 september 2021 heeft de minister de besluiten van 15 april 2021 en 12 mei 2021 herzien en de verwijderingsverzoeken alsnog toegewezen.
Bij afzonderlijke besluiten van 1 februari 2023 heeft de minister de verwijderingsverzoeken opnieuw afgewezen.
Bij uitspraak van 24 mei 2023 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de door [appellant A] en [appellante B] ingestelde beroepen gericht tegen de besluiten van 1 februari 2023 ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellante B] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant A] en [appellante B] hebben een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 januari 2026, waar [appellant A] en [appellante B], vertegenwoordigd door mr. R.M. van de Wal, advocaat in Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. P.G.M. van der Voorn en mr. T. Gillhaus, advocaten in Den Haag, vergezeld door J.M. Boegborn en mr. W. Rodenberg, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. In het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar belastingadviseur [belastingadviseur] heeft de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) verschillende gegevens over hem gevorderd bij clouddienstaanbieder BaseNet Internet Project B.V. (BaseNet), waaronder het klantdossier van [appellant A] en [appellante B]. BaseNet heeft deze gegevens vervolgens uitgeleverd.
2. Op 29 januari 2021 hebben [appellant A] en [appellante B], onder verwijzing naar een in de strafrechtelijke procedure ingediend klaagschrift, op grond van artikel 28, tweede lid, van de Wpg een verzoek om verwijdering ingediend. In dat verzoek hebben zij de minister ook verzocht om op grond van artikel 28, vijfde lid, van de Wpg iedere ontvanger aan wie de gegevens zijn verstrekt in kennis te stellen van de vernietiging. Bij de besluiten van 15 april 2021 en 12 mei 2021 heeft de minister het verzoek afgewezen, omdat de gegevens onderdeel uitmaakten van een lopend opsporingsonderzoek en in dat onderzoek nog ter zake dienend waren.
3. In de strafrechtelijke procedure hebben [appellant A] en [appellante B] zich op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) beklaagd over de vorderingen aan BaseNet. De strafrechter heeft die vorderingen rechtmatig bevonden, maar wel bepaald dat het klantdossier moest worden vernietigd. Dit omdat er, kort gezegd, geen (strafvorderlijke) noodzaak meer bestond om in de betreffende fase het klantdossier voor de waarheidsvinding in de betrokken onderzoeken te gebruiken.
4. Met de besluiten van 29 september 2021 heeft de minister vervolgens zijn eerdere op grond van de Wpg genomen besluiten herzien en de verwijderingsverzoeken alsnog toegewezen. Daarbij heeft de minister aangegeven dat het klantdossier is vernietigd door dit ontoegankelijk te maken, waarmee het niet langer zichtbaar is voor de opsporing en daarvoor ook niet meer kan worden gebruikt. Dit wordt ook wel aangeduid als het uitgrijzen van de gegevens. [appellant A] en [appellante B] zijn het niet eens met deze wijze waarop het klantdossier is vernietigd. Bij de besluiten van 1 februari 2023 heeft de minister in reactie hierop het verwijderingsverzoek opnieuw afgewezen, omdat over de band van een artikel 28 WpgPro-verzoek niet kan worden geklaagd over de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de uitspraak van de strafrechter. Daarvoor staat volgens hem een rechtsgang open bij de strafrechter of eventueel de civiele rechter als restrechter. De rechtbank heeft het beroep van [appellant A] en [appellante B] ongegrond verklaard, omdat een inhoudelijke uitspraak van de bestuursrechter over de vernietiging van het klantdossier in het kader van de Wpg de door de wetgever vastgestelde systematiek op ontoelaatbare wijze zou doorkruisen. [appellant A] en [appellante B] zijn hiertegen in hoger beroep gegaan.
5. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Procesbelang
6. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant A] en [appellante B] geen belang meer hebben bij een inhoudelijke behandeling van hun hoger beroep. Hij voert daartoe aan dat het klantdossier, overeenkomstig het oordeel van de strafrechter, al is vernietigd.
6.1. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen.
6.2. [appellant A] en [appellante B] willen een oordeel over hun stelling dat het vernietigingsrecht op grond van artikel 28, tweede lid, van de Wpg ruimer is dan het vernietigingsrecht op grond van artikel 552a Sv. Als deze stelling juist blijkt te zijn, dan heeft dit gevolgen voor de uitkomst van het hoger beroep en de positie van [appellant A] en [appellante B]. Daarom is er voor hen procesbelang. De Afdeling zal daarom hieronder het hoger beroep van [appellant A] en [appellante B] inhoudelijk behandelen.
Hoger beroep
Verhouding Sv en Wpg
7. [appellant A] en [appellante B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het vernietigingsrecht van artikel 552a Sv als speciale regeling voorgaat op het vernietigingsrecht van artikel 28, tweede lid, van de Wpg. Zij voeren daartoe aan dat de Wpg juist een zogenoemde lex specialis vormt op het Wetboek van Strafvordering.
7.1. De Afdeling stelt vast dat er geen aanwijzingen zijn dat de wetgever heeft beoogd met de Wpg een ruimer vernietigingsrecht in zaken waarin de beklagregeling van artikel 552a Sv van toepassing is te bewerkstelligen dan voortvloeit uit het Wetboek van Strafvordering. Artikel 28, tweede lid, van de Wpg biedt dan ook geen aanvullende voorziening ten opzichte van artikel 552a Sv. Voor de vernietiging van strafvorderlijke gegevens bestaat een specifieke procedure via een rechtsgang bij de strafrechter. Deze in artikel 552a Sv bedoelde beklagrechter kan ook beoordelen of daadwerkelijk voldaan is aan zijn opdracht de gegevens te vernietigen, door die gegevens ontoegankelijk te maken. In de onderhavige situatie, waarin de vernietiging haar grondslag vindt in de beslissing van de strafrechter dat het (op [appellant A] en [appellante B]) betrekking hebbende klantdossier moest worden vernietigd, moeten [appellant A] en [appellante B] ook over de wijze van vernietiging van het klantdossier hun beklag doen bij de beklagrechter, en kunnen zij dat niet door het aanvechten van een besluit op grond van de Wpg bij de bestuursrechter.
7.2. Voor zover [appellant A] en [appellante B] hebben aangevoerd dat de FIOD de Belastingdienst moet informeren over de vernietiging, overweegt de Afdeling dat de minister op de zitting bij de Afdeling heeft verklaard dat de FIOD op grond van artikel 28, vijfde lid, van de Wpg al aan de Belastingdienst heeft meegedeeld dat de gegevens zijn vernietigd. [appellant A] en [appellante B] hebben niet gemotiveerd bestreden dat die mededeling niet is gedaan. Voor het geven van een nadere opdracht aan de Belastingdienst is dus geen plaats.
7.3. Het betoog slaagt niet.
Verzoek om schadevergoeding
7.4. Tot slot hebben [appellant A] en [appellante B] op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht verzocht om een schadevergoeding. Zoals uit bovenstaande overwegingen volgt, zijn de besluiten van 1 februari 2023 niet onrechtmatig. Daarom bestaat voor de minister geen verplichting tot het betalen van schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen. Alleen al daarom zal het verzoek worden afgewezen.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt voor zover aangevallen bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
9. De minister hoeft de proceskosten niet te vergoeden.
Overschrijding redelijke termijn
10. [appellant A] en [appellante B] hebben, tot slot, verzocht om vergoeding van immateriële schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
10.1. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 vanPro het EVRM is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. De redelijke termijn voor een procedure is in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. Die termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
10.2. In dit geval is geen bezwaarschriftprocedure gevoerd, omdat [appellant A] en [appellante B] rechtstreeks beroep bij de rechtbank hebben ingesteld. De termijn is daarom aangevangen bij het indienen van het beroepschrift in eerste aanleg. Het beroepschrift is op 12 mei 2021 ontvangen. De rechtbank heeft vervolgens op 24 mei 2023 uitspraak gedaan. Met de uitspraak van vandaag heeft de Afdeling op het hoger beroep beslist. Dat betekent dat de redelijke termijn met de uitspraak van vandaag met elf maanden is overschreden. Die overschrijding is in dit geval nagenoeg volledig toe te rekenen aan de Afdeling. Van bijzondere omstandigheden die een kortere of langere behandelingsduur rechtvaardigen is niet gebleken.
10.3. Het verzoek van [appellant A] en [appellante B] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen. Uitgaande van een schadevergoeding van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, zal de Afdeling aan [appellant A] en [appellante B] een schadevergoeding van € 1.000,00 ten laste van de Staat der Nederlanden
toekennen.
10.4. De Staat der Nederlanden moet de proceskosten vergoeden die [appellant A] en [appellante B] hebben gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn toe;
III. wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af;
IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant A] en [appellante B] te betalen een vergoeding van € 1.000,00;
V. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellante B] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A.L.J. van Strien, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Bindels
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
85-1050
BIJLAGE
Wet politiegegevens
Artikel 28 (recht op rectificatie en vernietiging van politiegegevens)
1. De betrokkene heeft het recht op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke rectificatie van de hem betreffende onjuiste politiegegevens te verkrijgen en, rekening houdend met het doel van de verwerking, het recht om onvolledige politiegegevens te laten aanvullen, onder meer door middel van een aanvullende verklaring. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.
(…)
5. Indien de verwerkingsverantwoordelijke politiegegevens heeft gerectificeerd, vernietigd of afgeschermd, stelt hij de ontvangers daarvan in kennis.
Wetboek van Strafvordering
Titel IX. Beklag
Artikel 552a
1. De belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over inbeslagneming, over het gebruik van in beslag genomen voorwerpen, over het uitblijven van een last tot teruggave, over het al dan niet toepassen van de in artikel 116, vierde lid, neergelegde bevoegdheid, over de vordering van gegevens, over de vordering medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van gegevens, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk en vastgelegd bij een onderzoek in zodanig werk, over de kennisneming of het gebruik van gegevens als bedoeld in de artikelen 100, 101 en 114, over de vordering gegevens te bewaren en beschikbaar te houden, alsmede over de ontoegankelijkmaking van gegevens, aangetroffen in een geautomatiseerd werk, bedoeld in artikel 125o, de opheffing van de desbetreffende maatregelen of het uitblijven van een last tot zodanige opheffing.
2. De belanghebbenden kunnen schriftelijk verzoeken om vernietiging van gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt.