ECLI:NL:RVS:2026:206

Raad van State

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
202406179/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake verzoek om verstrekking van documenten op basis van de Wet open overheid

In deze zaak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, die op 23 augustus 2024 het beroep van [appellant] ongegrond verklaarde. Het college van burgemeester en wethouders van Tholen had eerder, bij besluiten van 6 december 2022 en 1 februari 2023, het verzoek van [appellant] om verstrekking van documenten die hem betreffen afgewezen. [appellant] had verzocht om alle documenten waarin zijn naam of burgerservicenummer (BSN) voorkomt, onder verwijzing naar artikel 5.5 van de Wet open overheid (Woo). De rechtbank oordeelde dat het college het verzoek op goede gronden had afgewezen, omdat het verzoek niet specifiek genoeg was en niet voldeed aan de eisen van de Woo. De rechtbank stelde vast dat de verzoeker de aangelegenheid moest noemen waar zijn verzoek betrekking op had, en dat het verzoek om alle documenten over hem niet aan deze eis voldeed.

Tijdens de zitting op 6 augustus 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de zaak behandeld. [appellant] voerde aan dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het college hem na de termijn voor precisering nog om verduidelijking mocht vragen. De Afdeling oordeelde echter dat het college voldoende behulpzaam was geweest en dat de termijn voor precisering geen fatale termijn was. Het college had ook in de bezwaarprocedure om precisering mogen vragen, en het verzoek van [appellant] was te algemeen geformuleerd. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

De uitspraak benadrukt het belang van specificiteit in verzoeken op basis van de Woo en de rol van bestuursorganen in het helpen van verzoekers bij het indienen van hun verzoeken. De Afdeling oordeelde dat het college niet verplicht was om de proceskosten te vergoeden.

Uitspraak

202406179/1/A3.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Sint Philipsland, gemeente Tholen,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­West­Brabant van 23 augustus 2024 in zaak nr. 23/9397 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Tholen.
Procesverloop
Bij besluiten van 6 december 2022 en 1 februari 2023 heeft het college het verzoek van [appellant] om verstrekking van documenten die hem betreffen afgewezen.
Bij besluit van 18 juli 2023 heeft het college het door [appellant] tegen die besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 augustus 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 augustus 2025, waar [appellant], vergezeld door [persoon], en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. M.H.A. Bakkum, advocaat in Den Haag, zijn verschenen.
Overwegingen
1.       Bij brief van 23 november 2022 heeft [appellant] het college onder verwijzing naar artikel 5.5 van de Wet open overheid (hierna: Woo) verzocht om verstrekking van alle documenten waar zijn naam of zijn burgerservicenummer (hierna: BSN) in wordt vermeld. Bij het besluit van 6 december 2022 heeft het college het verzoek buiten behandeling gesteld omdat het verzoek niet zou zien op een bestuurlijke aangelegenheid. Daartegen heeft [appellant] bij brief van 19 december 2022 bezwaar gemaakt. Bij brief van 11 januari 2023 heeft het college verzocht om precisering van het verzoek. Bij besluit van 1 februari 2023 heeft het college de motivering van het besluit van 6 december 2022 gewijzigd, en het verzoek van [appellant] afgewezen omdat het niet mogelijk is om via de Woo een onbepaald verzoek te doen om alle documenten die over een (rechts)persoon bij het bestuursorgaan berusten. Bij besluit van 18 juli 2023 heeft het college het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard.
2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het verzoek van [appellant] op goede gronden heeft afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit artikel 5.5 van de Woo blijkt dat de verzoeker de aangelegenheid moet noemen waar zijn verzoek betrekking op heeft. Volgens de rechtbank volgt daaruit dat het dus niet mogelijk is om op grond van dat artikel te verzoeken om alle documenten over hem te verstrekken. Dat blijkt volgens de rechtbank ook uit de totstandkomingsgeschiedenis van dat artikel.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het college [appellant] ook na de tweewekentermijn uit artikel 4.1, vijfde lid, van de Woo mocht verzoeken om precisering van zijn verzoek omdat dat geen fatale termijn is.
3.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college hem na afloop van de tweewekentermijn uit artikel 4.1, vijfde lid, van de Woo nog mocht verzoeken om precisering van zijn verzoek. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat die termijn geen fatale termijn is.
Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zijn verzoek op goede gronden heeft afgewezen. Daartoe voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt kon stellen dat zijn verzoek te ruim geformuleerd was. [appellant] voert aan dat hij in zijn verzoek wel een aangelegenheid heeft genoemd, namelijk dat hij documenten wenst over dat hij is zwartgemaakt door de gemeente Tholen. Volgens [appellant] kan hij zijn verzoek niet specifieker maken.
[appellant] betoogt dat het college niet voldoende behulpzaam is geweest bij de behandeling van zijn verzoek. De menselijke maat is uit het oog verloren. Volgens [appellant] is daarbij ook het gelijkheidsbeginsel geschonden, omdat het college als enige bestuursorgaan weigerachtig is bij zijn verzoek.
4.       Artikel 4.1, vijfde lid, van de Woo luidt: "Indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, verzoekt het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek de verzoeker om het verzoek te preciseren en is het de verzoeker daarbij behulpzaam."
Artikel 4.1, zesde lid, van de Woo luidt: "Het bestuursorgaan kan besluiten een verzoek niet te behandelen, indien de verzoeker niet meewerkt aan een verzoek tot precisering als bedoeld in het vijfde lid. In afwijking van artikel 4:5, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het besluit om het verzoek niet te behandelen aan de verzoeker bekendgemaakt binnen twee weken nadat het verzoek is gepreciseerd of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken."
Artikel 5.5, eerste lid, van de Woo luidt: "Onverminderd het elders bij wet bepaalde, verstrekt een bestuursorgaan iedere natuurlijke of rechtspersoon op diens verzoek de op de verzoeker betrekking hebbende in documenten neergelegde informatie, […] De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document, waarover hij informatie wenst te ontvangen."
Artikel 7:11, eerste lid, van de Awb luidt: "Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats."
5.       [appellant] heeft verzocht om alle documenten waarin zijn naam of zijn BSN staat vermeld. Het verzoek raakt daarmee een onbegrensd aantal onderwerpen, en is daardoor te algemeen geformuleerd, vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 12 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1451 onder 5 tot en met 5.2. Anders dan [appellant] betoogt, vormt het benoemen van het vermoeden dat hij door medewerkers van de gemeente is zwartgemaakt, geen precisering van zijn verzoek. Dat vermoeden kan slechts worden gelezen als de achtergrond waartegen hij zijn verzoek heeft ingediend.
Het betoog slaagt niet.
5.1.    Op grond van artikel 7:11 van de Awb moet in de bezwaarprocedure een volledige heroverweging van het genomen besluit plaatsvinden. Hierbij kunnen eventuele gebreken worden hersteld. Het college mocht daarom dus ook in die fase nog om precisering verzoeken. Dat de termijn genoemd in artikel 4.1, vijfde lid, van de Woo, al was verstreken, doet daar niet aan af, omdat die termijn, anders dan [appellant] aanvoert, geen fatale termijn is. Op de zitting bij de Afdeling heeft het college toegelicht dat niet alleen bij brief van 11 januari 2022 om precisering is verzocht, maar dat daarover op dezelfde dag ook telefonisch met [appellant] is gesproken. Naar het oordeel van de Afdeling is het college hem daarmee voldoende behulpzaam geweest bij de precisering van zijn verzoek. Wat [appellant] aanvoert over strijd met het gelijkheidsbeginsel leidt niet tot een ander oordeel, omdat hij dat betoog niet heeft onderbouwd door concrete gevallen aan te dragen waarin het college vergelijkbare verzoeken op een andere manier heeft behandeld dan zijn verzoek.
Het betoog slaagt niet.
5.2.    Omdat [appellant] niet heeft meegewerkt aan de precisering van zijn verzoek heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college heeft mogen besluiten om het verzoek niet verder te behandelen.
Het betoog slaagt niet.
6.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Bossmann
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
314-1114