ECLI:NL:RVS:2026:205

Raad van State

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
202500564/1/V6
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake aanvraag ontheffing inburgeringsplicht door 63-jarige vrouw met medische en psychische problematiek

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van een 63-jarige vrouw uit Marokko, hierna aangeduid als [appellant], die een aanvraag om ontheffing van de inburgeringsplicht heeft ingediend. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft deze aanvraag op 13 november 2023 afgewezen, waarna de rechtbank Den Haag op 19 december 2024 het beroep van [appellant] ongegrond verklaarde. De vrouw heeft psychische klachten en fysieke aandoeningen, waaronder rug- en maagklachten, en is analfabeet. Ze betoogt dat haar medische problemen haar blijvend verhinderen om aan de inburgeringsplicht te voldoen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de zaak behandeld op 11 december 2025, waarbij [appellant] werd bijgestaan door haar advocaat, mr. A.R. Bissessur, en haar stiefzoon. De staatssecretaris van Participatie en Integratie was vertegenwoordigd door mr. N. Fazli. De Afdeling oordeelt dat de staatssecretaris zich terecht heeft gebaseerd op de adviezen van Argonaut, die concludeerden dat [appellant] op dat moment niet in staat was om deel te nemen aan scholing of examens, maar dat haar medische problematiek behandelbaar is. De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris terecht heeft besloten dat [appellant] niet in aanmerking komt voor ontheffing van de inburgeringsplicht. De Afdeling bevestigt deze uitspraak en stelt dat [appellant] op elk moment een nieuw medisch advies kan aanvragen als haar situatie verandert.

Uitspraak

202500564/1/V6.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 december 2024 in zaak nr. 24/3174 in het geding tussen:
[appellant]
en
de staatssecretaris van Participatie en Integratie.
Procesverloop
Bij besluit van 13 november 2023 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een aanvraag van [appellant] om ontheffing van de inburgeringsplicht afgewezen.
Bij besluit van 8 maart 2024 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 11 december 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.R. Bissessur, advocaat in Den Haag, en door haar [stiefzoon], en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. N. Fazli, zijn verschenen. Als tolk was aanwezig A.S. Choitki.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] is een 63-jarige vrouw uit Marokko. Zij heeft wegens haar medische en psychische problematiek om ontheffing van de inburgeringsplicht gevraagd. [appellant] heeft psychische klachten, waardoor zij beperkt is in haar persoonlijk en sociaal functioneren. Ook heeft zij rug- en maagklachten. Verder is zij analfabeet.
2.       In het medisch advies van Argonaut van 18 oktober 2023 staat dat [appellant] op dat moment niet in staat is om deel te nemen aan scholing of het afleggen van een examen. De medische problematiek van [appellant] is echter behandelbaar en zij staat ook onder behandeling. Argonaut acht het daarom op medische gronden mogelijk dat [appellant] binnen een termijn van vijf jaar aan de inburgeringsplicht kan voldoen.
In het aanvullend medisch advies van 2 september 2024 concludeert Argonaut dat er geen reden bestaat om [appellant] op dat moment op medische gronden volledig te ontheffen van de inburgeringsplicht. Hierbij wijst Argonaut erop dat - ook als blijkt dat [appellant] beperkt leerbaar is - zij mogelijk de zelfredzaamheidsroute (hierna: de Z-route) kan doorlopen.
De staatssecretaris heeft zich onder verwijzing naar deze medisch adviezen op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat [appellant] blijvend niet aan de inburgeringsplicht kan voldoen. Hij heeft daarom het verzoek om ontheffing van de inburgeringsplicht afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris zich op basis van de adviezen van Argonaut terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] nu niet in aanmerking komt voor ontheffing van de inburgeringsplicht.
Is [appellant] blijvend niet in staat om aan de inburgeringsplicht te voldoen?
3.       [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij door haar medische problematiek blijvend niet in staat is om aan de inburgeringsplicht te voldoen. Hierbij wijst zij erop dat uit de verklaring van haar psycholoog van 21 mei 2024 volgt dat zij al jarenlang klachten heeft en dat sprake is van cognitieve achteruitgang. Ook heeft de minister volgens [appellant] ten onrechte de verklaring van haar psycholoog van 22 oktober 2024 niet voorgelegd aan Argonaut. Verder heeft de medisch deskundige alleen dossieronderzoek verricht en [appellant] niet gezien of gesproken.
3.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 4 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:368, onder 5.1, mag een bestuursorgaan op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat een partij over het advies heeft aangevoerd.
3.2.    Het is aan de inburgeringsplichtige om de door deze gestelde medische problematiek aannemelijk te maken door medische stukken over te leggen. De artsen van Argonaut baseren hun medische beoordeling vervolgens op de overgelegde stukken. Dit geldt ook voor medische stukken die gaan over psychische klachten. Zie de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2535, onder 5.2.
3.3.    De Afdeling oordeelt dat de staatssecretaris terecht de adviezen van Argonaut aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd, omdat deze zorgvuldig zijn opgesteld, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. De Afdeling stelt vast dat de medisch adviseur van Argonaut in het medisch advies van 2 september 2024 de verklaring van de psycholoog van 21 mei 2024 en de daarin omschreven klachten inzichtelijk heeft betrokken. De medisch adviseur heeft in dit advies geconcludeerd dat er op dat moment geen reden was om [appellant] al te ontheffen van de inburgeringsplicht, omdat zij net was gestart met een behandeling. Met een adequate behandeling zou verbetering van haar psychische klachten volgens de medisch adviseur mogelijk zijn. De Afdeling begrijpt goed dat haar medische problematiek veel impact heeft op [appellant]. Omdat de verwachting van de medisch adviseur is dat haar klachten met behandeling kunnen verbeteren, is de omstandigheid dat in de verklaring van haar psycholoog van 21 mei 2024 staat dat zij al jarenlang klachten heeft, echter geen reden om te twijfelen aan het medisch advies.
3.4.    De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat de staatssecretaris de verklaring van de psycholoog van 22 oktober 2024 niet aan Argonaut hoefde voor te leggen voor een aanvullend advies, omdat deze inhoudelijk overeenkomt met de verklaring van 21 mei 2024. Het is daarom niet onzorgvuldig dat de staatssecretaris Argonaut niet nog een keer om een aanvullend advies heeft gevraagd. Evenmin slaagt het betoog dat de medisch adviseur van Argonaut [appellant] ten onrechte niet in persoon heeft gezien. Uit het medisch advies van 18 oktober 2023 volgt namelijk dat de arts van Argonaut [appellant] op 16 oktober 2023 op het spreekuur heeft gezien, waarbij haar stiefzoon is opgetreden als tolk. [appellant] heeft verder geen concrete aanknopingspunten aangevoerd voor twijfel aan de inhoud van de bevindingen van Argonaut. Gelet op het voorgaande heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat zij blijvend niet in staat is om aan de inburgeringsplicht te voldoen. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de staatssecretaris terecht tot de conclusie is gekomen dat [appellant] nu niet in aanmerking komt voor een ontheffing van de inburgeringsplicht.
3.5.    De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Is [appellant] in staat om de Z-route te volgen?
4.       [appellant] betoogt verder dat zij niet in staat is om de Z-route te volgen. Hierbij wijst [appellant] op haar langdurige psychische klachten en cognitieve achteruitgang. Zij vindt het gelet op de verklaringen van haar psycholoog onbegrijpelijk dat Argonaut de Z-route adviseert.
4.1.    Deze hogerberoepsgrond slaagt niet. De Afdeling overweegt dat - anders dan [appellant] betoogt - Argonaut in de medische adviezen niet heeft vastgesteld dat [appellant] de Z-route kan volgen. In het medisch advies heeft de medisch adviseur opgemerkt dat als uit de leerbaarheidstoets blijkt dat [appellant] onvoldoende leerbaar is, de Z-route voor de hand ligt. De medisch adviseur heeft dit alleen benoemd als een mogelijkheid in de toekomst. Om te bepalen of [appellant] de Z-route kan doorlopen, moet zij echter eerst worden opgeroepen voor de brede intake en moet een persoonlijk plan inburgering en participatie worden opgesteld; op de zitting is gebleken dat dit nog niet is gebeurd in afwachting van de uitkomst van deze procedure. Zoals de Afdeling hiervoor onder 3.4 heeft overwogen, heeft [appellant] bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij blijvend niet in staat is te voldoen aan de inburgeringsplicht. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de staatssecretaris terecht tot de conclusie is gekomen dat [appellant] op dit moment in staat moet worden geacht binnen vijf jaar een van de drie leerroutes te doorlopen.
Conclusie
5.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Dit betekent dat de staatssecretaris [appellant] nu niet hoefde te ontheffen van de inburgeringsplicht.
De Afdeling overweegt tot slot dat in het medisch advies van Argonaut van 18 oktober 2023 is geconcludeerd dat [appellant] ten tijde van dat advies medisch gezien niet in staat was om deel te nemen aan onderwijs of om een examen af te leggen, maar dat er nog geen reden was om haar te ontheffen van de inburgeringsplicht wegens onder meer de net gestarte behandeling. Mochten de medische klachten van [appellant] door de behandeling niet verbeteren of op enig moment zelfs verslechteren, dan kan zij op ieder moment een nieuw medisch advies aanvragen om opnieuw te laten beoordelen of zij in aanmerking komt voor ontheffing van de inburgeringsplicht.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.E. de Ruijter, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Ruijter
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
887-1127