Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2041

Raad van State

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
BRS.26.001539
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitvoering vernietigend vonnis verblijfsvergunning

De minister van Asiel en Migratie wees op 1 februari 2024 de aanvraag van betrokkene om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. Na een ongegrond verklaard bezwaar door de minister, verklaarde de rechtbank Den Haag op 3 maart 2026 het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de minister een nieuw besluit te nemen.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering van het vonnis van de rechtbank op te schorten. De voorzieningenrechter oordeelde dat het hoger beroep nader onderzoek vereist en dat de procedure voor een voorlopige voorziening geschikt is om de uitvoering tijdelijk op te schorten.

De voorzieningenrechter bepaalde dat de minister geen uitvoering hoeft te geven aan het vonnis van de rechtbank totdat de Raad van State op het hoger beroep heeft beslist. Tevens werd bepaald dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.

Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

BRS.26.001539
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 3 maart 2026 in zaak nr. NL24.39596 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 1 februari 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 27 september 2024 heeft de minister het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        De minister verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2.        Het hoger beroep vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3.        De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van C.M.J.B. A Campo LLM, griffier.
w.g. Kuijer
voorzieningenrechter
w.g. A Campo
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
907