Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2031

Raad van State

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
BRS.26.000796
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening bestuursrechtelijke uitspraak inzake vreemdelingenrecht

Verzoeker heeft bij brief van 25 maart 2026 een verzoek tot herziening ingediend van de uitspraak van 12 januari 2026 in een bestuursrechtelijke zaak over vreemdelingenrecht. Het verzoek is gebaseerd op de stelling dat verzoeker niet op de hoogte was van een laissez-passeraanvraag van 30 oktober 2024, wat relevant zou zijn voor de beoordeling van het zicht op uitzetting en het voortvarend handelen van de minister.

De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat de bestuursrechter een onherroepelijke uitspraak slechts kan herzien op grond van nieuwe feiten of omstandigheden die vóór de uitspraak bestonden maar pas daarna bekend werden. In dit geval was de vermeende nieuwe omstandigheid al bekend bij verzoeker op 16 december 2025, toen de minister een verweerschrift indiende in een vervolgberoep.

Daarmee voldoet het verzoek niet aan de voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling wijst het verzoek tot herziening af en bepaalt dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de bestuursrechtelijke uitspraak wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

BRS.26.000796
Datum uitspraak: 16 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoeker],
verzoeker,
om herziening (artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht; Awb) van de uitspraak van de Afdeling van 12 januari 2026, in zaak nr. BRS.25.001898, ECLI:NL:RVS:2026:106.
Procesverloop
Bij brief van 25 maart 2026 heeft verzoeker de Afdeling verzocht om herziening van de uitspraak van 12 januari 2026 in zaak nr. BRS.25.001898, ECLI:NL:RVS:2026:106.
Overwegingen
1.        De bestuursrechter kan onder omstandigheden een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van nieuwe feiten en omstandigheden (artikel 8:119, eerste lid, van de Awb). Dat kan alleen maar als er feiten of omstandigheden zijn van vóór de uitspraak, waar een verzoeker pas ná de uitspraak achter is gekomen. En dan hadden die omstandigheden ook nog tot een andere uitspraak moeten kunnen leiden, als de Afdeling er op tijd van had geweten. Verzoeker heeft zulke feiten en omstandigheden niet aangevoerd.
2.        Verzoeker voert aan dat hij niet op de hoogte was van een laissez-passeraanvraag die was ingediend op 30 oktober 2024 en dat dit relevant is bij de beoordeling van het zicht op uitzetting en het voortvarend handelen van de minister bij zijn uitzetting. Deze omstandigheid was echter al voor de uitspraak van 12 januari 2026 bij verzoeker bekend, namelijk op 16 december 2025, toen de minister een verweerschrift bij de rechtbank had ingediend in een vervolgberoep tegen de bewaring die in geding was in die uitspraak van 12 januari 2026. Alleen al daarom voldoet het herzieningsverzoek niet aan artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb.
3.        De Afdeling wijst het verzoek af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026
47-1182