AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering uitstel van vertrek
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 1 september 2022 het verzoek van betrokkene om uitstel van vertrek krachtens artikel 64 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 af. Betrokkene maakte bezwaar, dat op 27 januari 2023 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene op 27 februari 2026 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister een nieuw besluit op bezwaar moet nemen en betrokkene moet behandelen alsof uitstel van vertrek was verleend tot zes weken na het nieuwe besluit.
De minister stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, zodat hij geen nieuw besluit op bezwaar hoefde te nemen totdat het hoger beroep was beslist. De voorzieningenrechter oordeelde dat de uitspraak van de rechtbank niet strekt tot het verlenen van uitstel van vertrek en dat uitvoering van de uitspraak geen onherstelbare gevolgen heeft. Ook vergt uitvoering geen onevenredige inspanning.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek af en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene, bestaande uit kosten van rechtsbijstand door een derde.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 27 februari 2026 in zaak nr. 23/870 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 1 september 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om haar krachtens artikel 64 vanPro de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 27 januari 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak en bepaald dat de minister betrokkene moet behandelen alsof hij krachtens artikel 64 vanPro de Vw 2000 aan haar uitstel van vertrek heeft verleend tot zes weken na de bekendmaking van het nieuw te nemen besluit op bezwaar.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat hij geen nieuw besluit op bezwaar hoeft te nemen totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2. Gelet op de belangen die de minister en betrokkene naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening. De uitspraak van de rechtbank strekt er niet toe dat de minister het gevraagde uitstel van vertrek moet verlenen. Uitvoering van de uitspraak heeft daarom geen gevolgen die moeilijk ongedaan kunnen worden gemaakt. De voorzieningenrechter vindt verder van belang dat uitvoering van de uitspraak van de minister geen onevenredige inspanning vergt.
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek af;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.