Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2017

Raad van State

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
BRS.25.002382
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel in hoger beroep

Appellant heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 23 juli 2025 is afgewezen. Hiertegen stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 5 december 2025 het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling heeft het hoger beroep beoordeeld en geoordeeld dat het geen nieuwe vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Tevens is een eerder door de Afdeling beantwoorde rechtsvraag over de ondertekening van automatisch verstuurde asielbesluiten niet anders beoordeeld. Ook zijn er geen nieuwe vragen over Unierechtelijke bepalingen gerezen.

Daarom verklaart de Afdeling het hoger beroep ongegrond en bevestigt zij de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer en uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.

Uitspraak

BRS.25.002382
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 december 2025 in zaak nr. NL25.36500 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 23 juli 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 5 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.E. Groenenberg, advocaat in Nieuw-Vennep, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.        Het hoger beroep gaat onder meer over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 2 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1127, onder 1 tot en met 1.5, over de vraag of een automatisch verstuurd asielbesluit moet worden ondertekend). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
1.2.        Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Gerritsjans-van Essen, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Gerritsjans-van Essen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
1078