Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2000

Raad van State

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
BRS.26.001371
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 59b Vw 2000Art. 8 OpvangrichtlijnArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bewaring vreemdeling zonder vereiste zicht op uitzetting binnen redelijke termijn

Bij besluit van 4 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het tegen deze bewaring ingestelde beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn geen vereiste is voor een bewaringsmaatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze bepaling implementeert artikel 8, derde lid, aanhef en onder a en b, van de Opvangrichtlijn. Uit deze richtlijn en andere Unierechtelijke regelgeving volgt niet dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn vereist is voor bewaring die niet op uitzetting is gericht.

De Afdeling ziet geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, mede gelet op eerdere arresten zoals Cilfit, Consorzio Italian Management en Remling. Het hoger beroep bevat geen vragen die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden. De Afdeling ziet ook geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de bewaring van appellant en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

BRS.26.001371
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[betrokkene],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 23 maart 2026 in zaak nr. NL26.12399 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 4 maart 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 23 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht geoordeeld dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn geen vereiste is voor een bewaringsmaatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000. Deze onderdelen zijn een omzetting van artikel 8, derde lid, aanhef en onder a en b, van de Opvangrichtlijn. Uit deze richtlijn noch andere Unierechtelijke regelgeving volgt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn een vereiste is voor een bewaringsmaatregel die niet op uitzetting is gericht.
1.1.        Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift verder geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak verder geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
2.        De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kraak
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
1020