202307800/1/R3.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Den Haag,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 november 2023 in zaak nr. 22/3182 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Procesverloop
Bij besluit van 16 november 2021 heeft het college geweigerd om aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het kappen van een watercipres aan de Van Trigtstraat 1 in Den Haag.
Bij besluit van 15 april 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 november 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak behandeld op een zitting op 10 december 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. D.F. Lansbergen, rechtsbijstandverlener in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.P. van Lith en ing. E.G. Schenderling, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Inleiding
2. [appellant] woont aan de [locatie] in Den Haag. Aan de zijkant van de woning is een smalle strook die behoort tot de tuin. Hier staat een watercipres vlak bij de woning. [appellant] wil deze boom kappen, omdat deze schade veroorzaakt aan het wandelpad op deze strook en volgens hem ook schade zal kunnen veroorzaken aan de fundering van zijn woning.
3. Op grond van artikel 2.2, eerste lid, onder g, van de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 2.87 van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (hierna: de APV) is voor het kappen van de watercipres een omgevingsvergunning nodig.
Op grond van artikel 2.88 van de APV kan een vergunning voor het kappen van een boom (hierna: kapvergunning) worden geweigerd of onder voorschriften worden verleend in het belang van natuur-, educatieve en milieuwaarden en/of belevings- en gebruikswaarden. Dit betekent dat bij de vraag of een kapvergunning kan worden verleend, een belangenafweging moet worden verricht waarin het belang van de aanvrager bij het kappen van de boom wordt afgewogen tegen de waarden van de boom. Bij het in kaart brengen van deze belangen maakt het college gebruik van het "belangenafwegingformulier kapaanvraag Den Haag" (hierna: BAF). Dit formulier wordt ingevuld door een groenbeheerder die werkzaam is voor de gemeente Den Haag.
4. Het college heeft de door [appellant] gevraagde kapvergunning geweigerd, omdat het aan de hand van het ingevulde BAF tot de conclusie is gekomen dat het belang bij het behoud van de boom zwaarder weegt dan de belangen van [appellant] bij het kappen van deze boom. De rechtbank heeft het hiertegen gerichte beroep van [appellant] ongegrond verklaard. [appellant] is het hier niet mee eens.
Nee, tenzij-principe
5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in zijn belangenafweging mocht uitgaan van het nee, tenzij-principe. Volgens hem past het college dit principe in de praktijk niet toe. Dat kan volgens hem worden afgeleid uit de toelichting op het afwegingskader voor kapaanvragen die de wethouder bij brief van 25 november 2015 aan de voorzitter van de Commissie Leefomgeving heeft gegeven. Daarin staat namelijk dat er van de in 2014 aangevraagde kap- of snoeivergunningen 359 zijn verleend, en maar 19 zijn geweigerd.
5.1. In het besluit op bezwaar heeft het college het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van 12 april 2022 overgenomen. In dat advies staat dat bij de belangenafweging als beleid meestal het nee, tenzij-principe wordt gehanteerd en dat dit betekent dat een boom niet mag worden gekapt als deze gezond is, tenzij zich één of meer bijzondere omstandigheden voordoen, zoals geformuleerd in het BAF.
5.2. De rechtbank heeft in wat door [appellant] is aangevoerd terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt. Zoals op de zitting van de Afdeling is besproken, staat ter beoordeling of het college er in dit concrete geval, met inachtneming van het geldende beleid en na afweging van de betrokken belangen, voor mocht kiezen om de gevraagde vergunning te weigeren. [appellant] heeft geen concrete vergelijkbare gevallen aangedragen waarin het college de betrokken belangen op andere wijze heeft gewogen dan in het geval van [appellant].
Het betoog slaagt niet.
Schade aan wandelpad
6. [appellant] betoogt dat de rechtbank het college ten onrechte heeft gevolgd in zijn standpunt dat de watercipres geen ernstige schade veroorzaakt aan het wandelpad in de tuin. Door de worteldruk worden de klinkers van het pad opgedrukt, waardoor het pad onveilig is geworden. Dit had het college als ernstige overlast moeten aanmerken. Verder betwist [appellant] dat met inrichtingsmaatregelen een (duurzame) oplossing kan worden bereikt. [appellant] heeft hiertoe een brief van hovenier [persoon] van 18 december 2023 overgelegd. Hierin staat dat het ophogen van de tuin ten koste zal gaan van oudere struiken. Ophoging van de grond rondom de watercipres tot boven de stamwortelgrens leidt tot voetrot bij de wortels. Bovendien zal het ophogen elke drie tot vier jaar moeten worden herhaald om het opdrukken te voorkomen, met alle kosten van dien. Het weghalen van de wortels onder het pad biedt ook geen oplossing, omdat de boom dan instabiel wordt, zo staat in deze brief.
6.1. Het college heeft zich in het besluit van 15 april 2022 op het standpunt gesteld dat bij het wandelpad weliswaar sprake is van wortelopdruk, maar dat dit probleem kan worden opgelost door het wandelpad op te hogen en door de boom te snoeien. Het college heeft toegelicht dat het voldoende is om het wandelpad plaatselijk op te hogen en dat niet de hele tuin hoeft te worden opgehoogd. Op de zitting heeft het college nader toegelicht dat kan worden gedacht aan het ophogen van het wandelpad met een uitloop van zo'n 50 cm aan beide kanten. In de gevolgen van het ophogen van de hele tuin of de gehele grond rondom de boom voor de wortels waarvan Vollebregt in zijn brief is uitgegaan, vindt de Afdeling dan ook geen reden voor het oordeel dat het college niet mocht uitgaan van de mogelijkheid van een andere oplossing dan het kappen van de boom. Verder heeft het college toegelicht dat het ook mogelijk is om het wandelpad wat te verleggen, eventueel met verwijdering of verplaatsing van enkele struiken. De Afdeling is niet gebleken dat de strook grond naast de boom hiervoor onvoldoende ruimte biedt. De voorgestelde maatregelen zijn naar het oordeel van de Afdeling niet zodanig ingrijpend dat deze niet van [appellant] kunnen worden gevergd met het oog op het behoud van de boom. Dat deze maatregelen mogelijk geen blijvende oplossing bieden, maar in de toekomst mogelijk zullen moeten worden herhaald, geeft de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. Daarbij acht de Afdeling het niet aannemelijk dat deze maatregelen elke drie tot vier jaar zouden moeten worden herhaald. Op de zitting heeft het college toegelicht dat de boom is gekandelaberd en dat daarom op dergelijke termijn niet of nauwelijks wortelgroei is te verwachten. De Afdeling ziet geen reden om daaraan te twijfelen. De Afdeling komt dan ook tot de conclusie dat de rechtbank terecht in de schade aan het wandelpad door de wortelopdruk geen aanleiding heeft gevonden voor het oordeel dat het college de kapvergunning niet had mogen weigeren.
Het betoog slaagt niet.
Schade aan fundering
7. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college in de belangenafweging onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het risico op schade aan de fundering van de woning. De wortels van de boom kunnen niet alleen schade veroorzaken wanneer deze de fundering in groeien, maar ook wanneer deze de fundering opdrukken. Dit betekent volgens [appellant] dat sprake is van een aantoonbaar en onevenredig financieel nadeel als bedoeld in (de toelichting op) het BAF. Hij acht het onevenredig dat van hem wordt verlangd dat hij pas een kapvergunning vraagt als er daadwerkelijk schade is opgetreden.
7.1. In de toelichting op het BAF staat dat schade aan bouwwerken als gevolg van het opdrukken van de fundering een aspect is dat op de volgende wijze in de belangenafweging wordt betrokken:
"Hierbij gaat het om schade aan bouwwerken als gevolg van het opdrukken van de fundering of het beschadigend schuren van takken langs de gevel. Deze overlast is direct te vertalen in economische schade. Alvorens in te delen in een categorie van overlast moet meegewogen worden of:
1. de schade redelijkerwijs voorzienbaar was bij het ontwerp van het bouwwerk (voorbeeld is het bouwen van een tuinmuur op 1 meter afstand van een grote boom, waarna binnen enkele jaren scheuren in de fundering optreden);
2. de schade beperkt kan worden door aanpassingen aan het bouwwerk of door het uitvoeren van extra onderhoud aan de boom;
3. er sprake is van een aantoonbaar en onevenredig financieel nadeel. Dit houdt in dat het gaat om duidelijk zichtbare, substantiële schade aan het bouwwerk en de kosten van reparatie niet in evenredige verhouding staan tot de waarde van de boom. De aanvrager zal dit nadeel desgevraagd met een rapport moeten onderbouwen.
Indien sprake is van een aantoonbaar en onevenredig financieel nadeel, hiervoor genoemd punt 3, en de punten 1 en 2 niet van toepassing zijn dan valt de schade aan een bouwwerk onder de categorie ernstige overlast. Indien alleen punt 1 en/of 2 van toepassing zijn, is er sprake van de categorie enige hinder."
7.2. De wortels van de boom liggen weliswaar tegen de fundering van de woning aan, maar niet in geschil is dat er ten tijde van het besluit op bezwaar geen sprake was van schade aan de fundering als gevolg van de wortels van de boom. Wat betreft het risico op toekomstige schade heeft het college zich gebaseerd op de beoordeling door de groenbeheerder dat dergelijke schade niet is te verwachten, omdat de wortels de weg van de minste weerstand zoeken en niet in staat zijn de fundering te beschadigen of opzij te drukken. Alleen als een wortel door zwakke plekken in de fundering groeit, kan de wortel schade aan de fundering veroorzaken, maar van een dergelijke situatie is volgens het college niet gebleken. [appellant] heeft dit niet overtuigend weerlegd met een rapport als bedoeld in de toelichting op het BAF of op een andere manier. Nu niet gebleken is van een aanknopingspunt dat zich hier een concreet risico op schade aan de fundering voordoet, mocht het college aannemen dat de gevolgen van de boom voor de fundering geen aantoonbaar en onevenredig financieel nadeel opleveren. De Afdeling acht het niet onevenredig dat het college het belang bij het behoud van de boom zwaarder heeft laten wegen. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college op dit punt geen juiste belangenafweging heeft gemaakt.
Het betoog slaagt niet.
Belangenafweging voor het overige
8. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college een te groot gewicht heeft toegekend aan de belevings- en gebruikswaarden van de boom. Het heeft ten onrechte groot belang gehecht aan de enkele zichtbaarheid van de boom vanaf de openbare straat. De boom is door het college niet als beschermd aangemerkt. Ook vertegenwoordigt de boom volgens [appellant] geen ecologische, educatieve of natuur- of milieuwaarde van betekenis. [appellant] benadrukt dat hij bereid is om na de gevraagde kap van de boom een nieuwe boom terug te planten.
8.1. Op basis van een foto en schets en een bezoek op de locatie is de zichtbaarheid vanaf de openbare straat op het BAF beoordeeld als "groot belang". Het college heeft toegelicht dat de boom prominent zichtbaar is vanaf de openbare straat en dat in dit deel van de straat weinig bomen staan. Bij de natuur- en milieuwaarden is op het BAF achter "bijzonder of zeldzaam" ingevuld dat de boom enigszins van belang is.
De rechtbank heeft terecht geen reden gevonden voor het oordeel dat het college geen doorslaggevende betekenis mocht toekennen aan de zichtbaarheid van de boom vanaf de openbare straat. Anders dan [appellant] betoogt, is daarvoor niet vereist dat de boom ook op andere punten bijzondere waarden vertegenwoordigt. Dat standpunt vindt geen steun in artikel 2.88 van de APV, het BAF of de toelichting daarop. Ook de omstandigheid dat [appellant] bereid is om een nieuwe boom terug te planten, betekent niet dat het college geen doorslaggevende betekenis mocht toekennen aan de zichtbaarheid van de huidige boom vanaf de openbare straat.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
9. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
10. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier.
w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Witsen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
727