202401815/1/R3.
Datum uitspraak: 8 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Den Haag,
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag (de rechtbank) van 28 februari 2024 in zaak nrs. 23/8377 en 23/8376 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Procesverloop
Bij besluit van 30 juni 2023 heeft het college aan Kerk & Co B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van het pand aan de Stationsweg 6 in Den Haag door het maken van een constructieve doorbraak.
Bij besluit van 13 november 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 februari 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2025, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. S.J.C. Hocks, zijn verschenen. Verder is Kerk & Co B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 12 juni 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het pand aan de Stationsweg 6 in Den Haag bestaat uit twee delen. Kerk & Co B.V. is huurder van dit pand en wil tussen die delen een constructieve doorbraak realiseren. Bij de aanvraag heeft Kerk & Co B.V. te kennen gegeven dat het voorste gedeelte in het pand (de plint) zal worden gebruikt voor maatschappelijke doeleinden en de ruimte achter de te verwijderen muur gebruikt zal worden als kantoor. Met het besluit van 30 juni 2023, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 november 2023, heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. [appellant] kan zich als omwonende niet vinden in deze verlening, omdat het pand in zijn geheel wordt gebruikt als kantoor en vanwege de gevolgen van het wijzigen van de constructie.
3. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.
In artikel 2.10, eerste en tweede lid, van de Wabo is bepaald dat een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen' wordt geweigerd indien de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het college niet aannemelijk maken dat het bouwen van het bouwwerk voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld op grond van de bouwverordening of het Bouwbesluit 2012 (het Bouwbesluit) of indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan en daarvoor geen omgevingsvergunning wordt verleend.
4. Vaststaat dat Kerk & Co B.V. bij de aanvraag van 12 juni 2023 kenbaar heeft gemaakt dat het voorste gedeelte van de begane grondvloer de plint zal worden gebruikt voor maatschappelijke doeleinden en uitsluitend nog de ruimte achter de te verwijderen muur gebruikt zal worden als kantoor. Bij de beoordeling van de aanvraag moet ervan worden uitgegaan dat het bouwwerk zal worden gebruikt op de wijze zoals omschreven is in de aanvraag, tenzij redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede voor andere doeleinden zal worden gebruikt. In wat [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen concrete aanwijzingen dat het pand niet zal worden gebruikt op de wijze zoals omschreven in de aanvraag.
5. Evenals de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college tot de conclusie heeft kunnen komen dat het aannemelijk is dat het bouwplan voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit. De aanvraag en daarbij verstrekte gegevens en bescheiden, waaronder de constructieve berekeningen van Geelhoed en het stempelplan, zijn voorgelegd aan het team Bouwconstructie en door dat team beoordeeld en goedgekeurd. Daarbij zijn de opmerkingen en kanttekeningen van [appellant] in zijn bezwaarschrift beoordeeld en van een reactie voorzien door het team Bouwconstructie. Er is geen reden dat het college deze beoordeling van het team Bouwconstructie niet aan zijn besluit ten grondslag kon leggen. Daarbij betrekt de Afdeling dat [appellant] geen tegenrapport van een deskundige op het gebied van Bouwveiligheid heeft overgelegd.
6. Wat [appellant] verder in hoger beroep naar voren heeft gebracht leidt niet tot een ander oordeel.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen.
8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van J.M. Rijsdijk, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rijsdijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026