ECLI:NL:RVS:2026:1928

Raad van State

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
202406018/1/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.10 WaboArt. 3:46 AwbArt. 8:113 AwbArt. 4.3 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging weigering omgevingsvergunning schuilstal wegens strijd met gemeentelijk beleid

Het college van burgemeester en wethouders van Den Helder weigerde op 25 april 2023 een omgevingsvergunning voor het oprichten van een schuilstal op perceel B1763 in Huisduinen. De aanvraag was ingediend door appellant met toestemming van de eigenaar, die het perceel gebruikt voor paarden. Het college stelde dat de schuilstal in strijd was met het bestemmingsplan en gemeentelijk beleid, omdat het geen gebouw betrof voor grondgebonden agrarische bedrijfsvoering en er al een paardenstal aanwezig was.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde anders. De Afdeling stelde vast dat de aanvraag betrekking had op een permanent bouwwerk en dat het college terecht moest toetsen of het bereid was medewerking te verlenen aan afwijking van het bestemmingsplan. De Afdeling concludeerde dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelde dat het bouwplan in strijd was met het gemeentelijk beleid, omdat de beleidsregel schuilstallen Den Helder 2021 een schuilstal toestaat op percelen groter dan 5.000 m², ongeacht de aanwezigheid van een andere paardenstal.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college, en bepaalde dat het college opnieuw op de aanvraag moet besluiten met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Afdeling kan worden ingesteld. Proceskosten werden niet toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de omgevingsvergunning wordt vernietigd.

Uitspraak

202406018/1/R1.
Datum uitspraak: 8 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Den Helder,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Holland van 13 augustus 2024 in zaak nr. 23/3536 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Helder.
Procesverloop
Bij besluit van 25 april 2023 heeft het college, voor zover hier van belang, geweigerd om aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het oprichten van een schuilstal op het perceel B1763, ter hoogte van het perceel [locatie] in Huisduinen.
Bij uitspraak van 13 augustus 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 maart 2026, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. M. Mooij, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 17 december 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2.       [partij] is eigenaar van het perceel B1763 en gebruikt het perceel voor zijn paarden. Op het perceel B1763 staat een stenen schuur met daarin acht afsluitbare paardenboxen. Het college heeft bij besluit van 25 april 2023, voor zover hier van belang, geweigerd aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het oprichten van een schuilstal voor die paarden op het perceel B1763 ter hoogte van het perceel [locatie] in Huisduinen. [appellant] heeft van de eigenaar van het perceel toestemming gekregen om de aanvraag in te dienen en een schuilstal te realiseren.
De schuilstal is volgens het college in strijd met het bestemmingsplan, omdat het niet gaat om een gebouw ten behoeve van een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. Evenmin is de aanduiding "agrarisch" aan het perceel toegekend, zodat gelet op artikel 3.1, onder c, stallen of bebouwing ten behoeve van opslag niet zijn toegestaan.
Het college is niet bereid om de omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van het bestemmingsplan. Het bouwwerk is volgens het college in strijd met het gemeentelijk beleid, aangezien er op het perceel al mogelijkheden zijn om de dieren te beschermen tegen weer en wind.
De rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen dat het college op grond van de gegeven motivering heeft mogen weigeren om de gevraagde  omgevingsvergunning te verlenen.
Relevante wettelijke bepalingen
3.       De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Aard van de aanvraag van de omgevingsvergunning
4.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een permanent bouwwerk. Hij heeft een vraag op het aanvraagformulier anders geïnterpreteerd. Hiertoe voert hij aan dat als hij had geweten dat onder het woord ‘tijdelijk’ een termijn van maximaal 10 jaar werd bedoeld, hij wel ‘ja’ zou hebben aangekruist op het aanvraagformulier als antwoord op de vraag of het om een tijdelijk bouwwerk gaat.
[appellant] voert verder aan dat de schuilstal naar zijn aard als tijdelijk moet worden gekwalificeerd. De schuilstal is namelijk niet met de grond verbonden door een fundering. Hij staat op palen en is in feite een bouwpakket van hout.
4.1.    Het college moet beslissen op een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals deze is ingediend. [appellant] heeft op de vraag of het gaat om een tijdelijk bouwwerk het woord ‘nee’ aangekruist op het aanvraagformulier. Daarmee heeft hij geen aanvraag ingediend voor een tijdelijk bouwwerk, maar voor een permanent bouwwerk. Het college heeft [appellant] voorafgaand aan het nemen van het besluit in de gelegenheid gesteld om het bouwplan aan te passen en een aanvraag in te dienen voor een tijdelijk bouwwerk voor maximaal 10 jaar. [appellant] heeft ervoor gekozen dit niet te doen. Dat [appellant] vervolgens in zijn e-mail van 25 maart 2023 aangeeft: "Ik volg uw advies, de aanvraag geldt voor 10 jaar […]", maakt niet dat er alsnog sprake is van een formele wijziging van de aanvraag. Of het bouwwerk makkelijk kan worden afgebroken en naar zijn aard als tijdelijk bouwwerk kan worden aangemerkt, wat daar verder ook van zij, doet er niet aan af dat er geen vergunning voor een tijdelijk bouwwerk is aangevraagd. Daarbij komt dat het college te kennen heeft gegeven dat ook als het wel zou gaan om een tijdelijk bouwwerk het ook niet bereid was geweest om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.
Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de aanvraag betrekking heeft op een permanent bouwwerk.
Het betoog slaagt niet.
Mocht het college toetsen of het bereid was medewerking te verlenen aan de afwijking van het bestemmingsplan?
5.       [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat voor het college geen aanleiding bestond om te toetsen of het bereid was medewerking te verlenen aan afwijking van het bestemmingsplan. Daartoe voert hij aan dat hij uitsluitend een aanvraag heeft gedaan voor de activiteit ‘bouwen’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Het college had direct het standpunt kunnen innemen dat op grond van het gemeentelijk beleid een schuilstal niet is toegestaan, omdat er een paardenstal in de directe omgeving staat, aldus [appellant].
5.1.    Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt een aanvraag voor een activiteit die in strijd is met het bestemmingsplan van rechtswege mede aangemerkt als een aanvraag voor de activiteit gebruiken in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Gelet hierop is de rechtbank er terecht van uitgegaan dat het college moest toetsen of het bereid was medewerking te verlenen aan afwijking van het bestemmingsplan.
Het betoog slaagt niet.
Is de schuilstal in strijd met het gemeentelijk beleid?
6.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan in strijd is met het gemeentelijk beleid. [appellant] voert hiertoe aan dat er wel noodzaak bestaat voor de aangevraagde schuilstal. De schuur met paardenboxen op het perceel kan niet met enige aanpassing geschikt worden gemaakt om als schuilstal te dienen.
6.1.    De Afdeling begrijpt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college zo, dat waar het beleid genaamd "Beleidskader schuilstallen" wordt genoemd, het gaat om de nota "Beleidsregel schuilstallen Den Helder 2021".  Op 8 juni 2021 heeft het college immers die nota vastgesteld. In de nota staat beleid over schuilstallen. Indien aan alle voorwaarden wordt voldaan, is een schuilstal toegestaan, zo staat in de nota. Eén van deze voorwaarden is dat er per perceel met een minimumomvang van 5.000 m² één schuilstal is toegestaan. Het perceel heeft een oppervlakte van méér dan 5.000 m². In de huidige situatie staat er geen schuilstal op het perceel. Er is geen voorwaarde die inhoudt dat er geen ander gebouw op het perceel mag staan. Dat op het perceel een schuur met paardenboxen staat, maakt daarom niet dat een schuilstal op grond van het beleid niet is toegestaan. Dat de op het perceel aanwezige paardenstal met acht afzonderlijk te sluiten paardenboxen volgens het college geschikt kan worden gemaakt tot schuilstal, wat [appellant] overigens heeft betwist, maakt niet dat het bouwplan om die reden wel in strijd is met het gemeentelijk beleid. Dat één van de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid het voorkomen van verrommeling van het buitengebied is, maakt dit niet anders.
Gelet hierop heeft het college zich op grond van de gegeven motivering ten onrechte op het standpunt gesteld dat het bouwplan in strijd is met het gemeentelijk beleid. Dit heeft de rechtbank niet onderkend.
Het betoog slaagt.
Conclusie
7.       Gelet op wat onder 6.1. is overwogen, is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 25 april 2023 alsnog gegrond verklaren en het besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college zal opnieuw op de aanvraag om een omgevingsvergunning van 17 december 2021 moeten besluiten met inachtneming van wat in deze uitspraak staat.
Met het oog op efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
Proceskosten
8.       Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-­Holland van 13 augustus 2024 in zaak nr. 23/3536;
III.      verklaart het beroep tegen het besluit van 25 april 2023 gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 25 april 2023 met zaaknummer 2021-061075;
V.       bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VI.      gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Helder aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 279,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Heusden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026
163-1188
BIJLAGE
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
[…];
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
[…].
Artikel 2.10
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
[…];
c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;
[…];
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Beleidsregel schuilstallen Den Helder 2021
Artikel 1
Een schuilstal is toegestaan onder de volgende voorwaarden:
a. Het gaat om huisvesting van hobbydieren van een particulier. Dat wil zeggen het dusdanig houden van dieren dat er geen sprake is van bedrijfsmatige activiteiten, in een niet
b. Een schuilstal mag enkel gebruikt worden voor de huisvesting van hobbydieren. Het opslaan van bouwmateriaal, gemotoriseerde (landbouw)voertuigen, gebruik als berging of hobbyruimte is expliciet niet toegestaan. Wel is het toegestaan om klein materieel (zoals: schep, kruiwagen, afrastering) of voer ten behoeve van de verzorging van de dieren op te bergen. De opbergruimte moet geïntegreerd worden in de schuilstal. Zo wordt het opbergen van nodig materieel zo veel mogelijk aan het zicht onttrokken.
c. Een schuilstal mag enkel worden opgericht op percelen met de bestemming agrarisch, waarbij sprake moet zijn van een goede landschappelijke inpassing. Een schuilstal dient aan de rand van het perceel te worden gepositioneerd of in de hoek van een perceel bij voorkeur aansluitend bij bestaande opstanden.
d. Toegestaan is één schuilstal per perceel met een minimumomvang van 5.000 m2.
e. De afstand tot een woning of bedrijfswoning van derde moet minimaal 50 meter zijn.
f. Het dient te gaan om een solitair gelegen weiland. Indien een weiland aansluit op het huisperceel van de aanvrager, dient de schuilgelegenheid binnen het bouwperceel en binnen de vigerende bebouwingsvoorschriften te worden gerealiseerd.
g. Toegestaan is een maximale oppervlakte van 30 m2, een goothoogte van 2 meter en een nokhoogte van 3 meter.
h. De constructie mag maximaal drie dichte wanden hebben.
i. Materialiseringseisen: gepotdekselde houten gevelbekleding waarbij geen sterk contrasterende felle of bonte kleuren zijn toegestaan, schuine afdekking met een dakbedekking van bitumen singels, leitjes of donkere dakpannen. Een groen sedumdak is ook toegestaan. Niet toegestaan zijn stalen (damwand) profielen, gemetselde of anderszins stenen muren, kunststof of golfplaten.
Bestemmingsplan "Huisduinen en de Stelling 2015"
Artikel 3 Agrarisch Pro
3.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Agrarisch’  aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. de uitvoering van een agrarisch bedrijf met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering met uitzondering van bosbouw, boomkwekerij, kassen en glastuinbouwbedrijven;
b. ter plekke van de aanduiding ‘pension’, is een paardenpension toegestaan;
c. ter plekke van de aanduiding ‘agrarisch’, zijn stallen en is bebouwing ten behoeven van opslag toegestaan;
d. paden;
e. waterlopen en waterpartijen;
f. recreatief medegebruik (wandelen, fietsen en paardrijden);
g. nutsvoorzieningen;
met de daarbij behorende bouwwerken en voorzieningen, waaronder maximaal één bedrijfswoning per grondgebonden agrarisch bouwvlak.