202402888/1/A3.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Amsterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 april 2024 in zaak nr. 22/5484 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 29 december 2021 heeft de burgemeester besloten om de woning aan de [locatie] in Amsterdam voor drie maanden te sluiten.
Bij besluit van 3 oktober 2022 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 april 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 23 december 2025 behandeld. De burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M.I. Houben, heeft via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] woont met zijn vrouw en hun twee zonen [zoon 1] en [zoon 2] [appellant] in de woning aan de [locatie] in Amsterdam. Op 12 november 2021 heeft de politie een tip ontvangen dat [zoon 2] [appellant] in het bezit zou zijn van een vuurwapen. Hij is dezelfde dag aangehouden wegens vuurwapenbezit. Naar aanleiding van deze aanhouding heeft de politie de woning doorzocht. Tijdens deze doorzoeking werd 1,5 kg softdrugs, ruim 100 gr cocaïne, een steekwapen en een drugspers aangetroffen. Deze bevindingen zijn vastgelegd in de bestuurlijke rapportage van 18 november 2021.
1.1. In deze bestuurlijke rapportage staat verder dat tijdens de jaarwisseling van 2019 op 2020 in de achtertuin van de woning door [zoon 1] en [zoon 2] [appellant] met vuurwapens is geschoten en dat daarvoor een bestuurlijke waarschuwing is opgelegd. Daarnaast staat daarin dat de familie [appellant] behoort tot een zogenoemd multi-probleemgezin dat al langere tijd zorgt voor overlast in de buurt. Verder staat in de bestuurlijke rapportage dat [zoon 2] [appellant] tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij een wapen bij zich draagt omdat hij zich bedreigd voelt. Hij heeft verklaard dat deze bedreigingen uit de Drillrapscene komen en dat hij in 2018 zou zijn gestoken en dat de woning in 2020 zou zijn beschoten. Daarvan is geen aangifte gedaan.
1.2. De burgemeester heeft naar aanleiding van de bevindingen uit de bestuurlijke rapportage de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet met ingang van 14 januari 2022 voor drie maanden gesloten.
Wat heeft de rechtbank geoordeeld?
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten en dat de sluiting in dit geval noodzakelijk en niet onevenwichtig was. De burgemeester mocht dus overgaan tot sluiting van de woning.
Waarom is [appellant] het niet met de rechtbank eens?
3. [appellant] betoogt dat de burgemeester gelet op de voorliggende feiten en omstandigheden niet direct tot sluiting van de woning had mogen overgaan, maar eerst een waarschuwing had moeten geven. De rechtbank heeft dat volgens hem niet onderkend. Het wapen dat bij zijn zoon werd aangetroffen, werd bijvoorbeeld niet in de woning aangetroffen en er zijn geen indicaties dat het wapen meegenomen is vanuit de woning.
Het schietincident tijdens de jaarwisseling, vond daarnaast niet in de woning plaats en houdt geen verband met het overtreden van de Opiumwet. Ook de antecedenten van [appellant] houden geen verband met het overtreden van de Opiumwet. De herstelsanctie moet gericht zijn op de woning, maar de burgemeester en rechtbank lijken ten onrechte meer belang te hechten aan de rol van de betrokken personen. Verder is er weliswaar hennep aangetroffen, maar ging het om hennepafval dat niet geschikt was voor de handel. Het werd immers bewaard in open gewone plastic tassen, terwijl voor de verkoop geschikte hennep bewaard moet worden in vacuüm getrokken sealbags. [appellant] is ook niet vervolgd voor de aangetroffen hennep. De ruim 100 gr aangetroffen cocaïne is daarnaast een hoeveelheid die zowel in absolute als in relatieve zin meevalt. Er zijn geen indicaties dat er sprake is van grootschalige (internationale) drugshandel waar de woning een schakel in vormde. Ten slotte is van overlast geen sprake meer. De daarvoor verantwoordelijke zonen verblijven elders en het ging niet om overlast veroorzaakt door drugshandel.
4. Voor zover de burgemeester wel direct over mocht gaan tot sluiting van de woning, betoogt [appellant] dat sluiting van de woning niet evenwichtig is. Hem treft geen verwijt van de overtreding. Hij had geen kennis van de aangetroffen cocaïne omdat die zich in een sok in de slaapkamer van zijn zoon bevond. De henneptoppen waren afval. Hij is voor de aangetroffen drugs ook niet vervolgd. Verder kon van hem niet verwacht worden dat hij zijn zoon achter zou laten bij de door de burgemeester aangeboden vervangende woonruimte bij Elandsgracht, waar ook junks en alcoholisten verblijven. De rechtbank heeft aan deze omstandigheden ten onrechte geen doorslaggevende betekenis toegekend, aldus [appellant].
Beoordeling van het hoger beroep
5. In haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling verwijst voor deze uitgangspunten daarom naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het hoger beroep.
6. Zowel wat betreft de noodzaak als evenwichtigheid van de sluiting zijn de gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank. Zij merkt daarbij op dat de rechtbank bij de beoordeling van de bevoegdheid aspecten heeft betrokken die alleen van belang zijn voor de beoordeling van de noodzaak en dat deze dus onder de beoordeling van de noodzaak in rechtsoverweging 5.4 betrokken hadden moeten worden. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 16 juli 2025. Dit heeft echter geen gevolgen voor de aangevallen uitspraak, omdat het oordeel van de rechtbank over de bevoegdheid van de burgemeester en over noodzaak om tot sluiting over te gaan juist is.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
Proceskosten
8. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Meerman, griffier.
w.g. Borman
voorzitter
w.g. Meerman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
960