ECLI:NL:RVS:2026:1884
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning asiel
De minister van Asiel en Migratie wees op 23 december 2025 de aanvraag van betrokkene om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. Betrokkene stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 18 maart 2026 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde en de minister opdroeg binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten totdat het hoger beroep is beslist. Betrokkene stelde incidenteel hoger beroep in en gaf een schriftelijke uiteenzetting.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het hoger beroep nader onderzoek vergt en dat de procedure voor de voorlopige voorziening niet geschikt is voor inhoudelijke beoordeling. Gezien de belangen van beide partijen werd de voorlopige voorziening getroffen dat de minister de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.