AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen wijziging omgevingsplan voor integraal kindcentrum Beesel
De raad van de gemeente Beesel heeft op 15 december 2025 het wijzigingsbesluit vastgesteld voor het 'TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22c Integraal Kindcentrum Beesel', dat voorziet in de bouw van een integraal kindcentrum (IKC) op een deel van het sportpark 'De Solberg'. Verzoeker, wonend op circa 150 meter afstand, heeft bezwaar gemaakt tegen delen van het bouwprogramma en de besluitvorming, en tevens beroep ingesteld tegen het besluit.
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd om het wijzigingsbesluit te schorsen totdat de Afdeling bestuursrechtspraak op het beroep heeft beslist. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker geen belanghebbende is omdat hij geen gevolgen van enige betekenis ondervindt van het besluit, mede gelet op de afstand en het ontbreken van zicht op de locatie. De aangevoerde gronden betreffen materiële bezwaren die niet strekken tot bescherming van het belang waarvoor verzoeker kan opkomen.
Daarnaast is geoordeeld dat de raad niet verplicht was verzoeker voorafgaand aan de vaststelling te informeren over de reactie op zijn zienswijze en dat het participatietraject, inclusief een omgevingsdialoog en een participatie- en communicatieplan, adequaat was. Gezien deze omstandigheden is er geen aanleiding om het wijzigingsbesluit te schorsen. Het verzoek wordt dan ook als kennelijk ongegrond afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het wijzigingsbesluit omgevingsplan voor het integraal kindcentrum Beesel wordt afgewezen wegens gebrek aan belanghebbende status en onvoldoende gronden.
Uitspraak
202600522/3/R1.
Datum uitspraak: 3 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend in Beesel,
verzoeker,
en
de raad van de gemeente Beesel,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 15 december 2025 heeft de raad het "TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22c Integraal Kindcentrum Beesel" als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Beesel vastgesteld (het wijzigingsbesluit).
Tegen dit besluit heeft [verzoeker] beroep ingesteld.
Ook heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
Wettelijk kader/beoordelingskader
1. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
2. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting. Het oordeel van de voorzieningenrechter is een voorlopig oordeel en niet bindend in de bodemprocedure.
Inleiding
3. Het wijzigingsbesluit voorziet in een integraal kindcentrum (IKC) op de helft van het meest zuidwestelijk gelegen voetbalveld op het terrein van het sportpark "De Solberg" aan de Sint Antoniusstraat in Beesel. De andere helft van het voetbalveld wordt ingezet voor een sportfunctie. Het IKC biedt huisvestiging aan de basisschool ’t Spick, een gymzaal, een kinderopvang en een dagbesteding voor ouderen. Het terrein rondom het IKC wordt ingericht met onder andere speelplaatsen, natuur, hemelwaterberging en parkeervoorzieningen. Het wijzigingsbesluit voorziet niet in de wijziging van de overige voetbalvelden van het sportpark.
4. [verzoeker] woont op ongeveer 150 meter afstand van de locatie waar het besluit tot wijziging op ziet. [verzoeker] is niet tegen de komst van het IKC, maar hij heeft wel bezwaren tegen de besluitvorming en hij heeft bezwaar tegen een deel van het bouwprogramma. Hij heeft ook een zienswijze naar voren gebracht over het ontwerpwijzigingsbesluit. [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat het wijzigingsbesluit wordt geschorst totdat de Afdeling op het beroep heeft beslist.
Het verzoek en de beoordeling van het verzoek
5. [verzoeker] voert aan dat er gebreken kleven aan de diverse onderzoeken die ten grondslag liggen aan het wijzigingsbesluit. Hij voert ook aan dat het wijzigingsbesluit leidt tot verslechtering van de toegang voor de voetbalverenigingen, dat er te weinig parkeerplaatsen beschikbaar zullen zijn, dat de verkeerssituatie in het algemeen erop achteruit zal gaan, dat ten onrechte een gymzaal in plaats van een grote binnensportaccommodatie mogelijk is gemaakt en dat er geen rekening is gehouden met de spuitzone van het aangrenzende agrarische perceel. Verder stelt [verzoeker] dat er sprake is van verkwisting van gemeentelijke gelden vanwege de ruil van gemeentelijke gronden met het aangrenzende agrarisch perceel in verband met het wijzigingsbesluit.
5.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de onder 5 vermelde beroepsgronden naar verwachting niet kunnen leiden tot vernietiging van het wijzigingsbesluit op grond van artikel 8:69a van de Awb. De voorzieningenrechter licht dit oordeel hierna toe.
5.2. Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."
Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.
5.3. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals (een wijziging van) een omgevingsplan of een vergunning - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de Afdeling naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
5.4. De afstand van de woning van [verzoeker] tot de locatie waar het wijzigingsbesluit op ziet, bedraagt ongeveer 150 meter. Vanuit de woning van [verzoeker] bestaat geen zicht op de locatie. Gelet op deze afstand maakt het IKC geen deel uit van de directe leefomgeving van [verzoeker]. Verder acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat effecten van het IKC zullen leiden tot een aantasting van de kwaliteit van de directe leefomgeving van [verzoeker]. Het is dus niet aannemelijk dat hij gevolgen van enige betekenis zal ondervinden van het wijzigingsbesluit. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat [verzoeker] geen belanghebbende is bij het wijzigingsbesluit.
Omdat [verzoeker] geen belanghebbende is, maar wel een zienswijze over het ontwerpwijzigingsbesluit naar voren heeft gebracht, ontleent [verzoeker] zijn beroepsrecht alleen aan zijn belang bij de behartiging van zijn recht op inspraak. De onder 5 vermelde gronden zijn materiële gronden en gaan niet over het recht op inspraak. Die gronden strekken daarom kennelijk niet tot bescherming van het belang waarvoor [verzoeker] kan opkomen in deze procedure.
Dit betekent dat het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste naar verwachting voor [verzoeker] in de weg zal staan aan vernietiging van het wijzigingsbesluit naar aanleiding van de onder 5 vermelde beroepsgronden.
6. [verzoeker] voert verder aan dat hij voor de vaststelling van het wijzigingsbesluit op de hoogte had moeten worden gesteld van de reactie op zijn zienswijze. Hij voert ook aan dat de participatie over het IKC niet in een tijdig stadium heeft plaatsgevonden.
6.1. Het ontwerpwijzigingsbesluit en de daarop betrekking hebbende stukken zijn ter inzage gelegd en [verzoeker] heeft daarover een zienswijze naar voren gebracht. Uit de regels voor de uniforme openbare voorbereidingsprocedure in afdeling 3.4 van de Awb noch uit enig andere rechtsregel dan wel het gemeentelijke participatiebeleid, vloeit in dit geval de verplichting voort om degenen die een zienswijze over het ontwerpwijzigingsbesluit naar voren hebben gebracht, voorafgaand aan de vaststelling van het wijzigingsbesluit in kennis te stellen van de reactie van de raad daarop. De raad hoefde [verzoeker] dan ook niet voorafgaand aan de vaststelling van het wijzigingsbesluit zijn reactie op de zienswijze toe te sturen.
6.2. Het betoog van [verzoeker] dat participatie niet tijdig heeft plaatsgevonden, vat de voorzieningenrechter op als een betoog dat de raad niet heeft voldaan aan artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit. De voorzieningenrechter ziet in dit betoog geen aanleiding om het wijzigingsbesluit te schorsen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat in maart 2024 een participatie- en communicatieplan is opgesteld en dat er een omgevingsdialoog heeft plaatsgevonden. Van de omgevingsdialoog zijn verslagen gemaakt, die als bijlage bij de motivering van het wijzigingsbesluit zijn gevoegd. In de motivering bij het wijzigingsbesluit heeft de raad ook toegelicht wat het gevolg is geweest van het participatietraject. Het heeft geen aanleiding gegeven tot aanpassing van het wijzigingsbesluit.
Conclusie
7. Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding om te veronderstellen dat het wijzigingsbesluit in de bodemprocedure geen stand zal houden. Om die reden ziet de voorzieningenrechter geen reden tot het treffen van een voorlopige voorziening.
8. Het verzoek moet als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
9. De raad hoeft de proceskosten niet te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.
w.g. Besselink
voorzieningenrechter
w.g. Van Driel Kluit
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026
703-1089
BIJLAGE
ALGMENE WET BESTUURSRECHT
Hoofdstuk 8. Bijzondere bepalingen over de wijze van procederen bij de bestuursrechter
Titel 8.3. Voorlopige voorziening en onmiddellijke uitspraak in de hoofdzaak
Artikel 8:83
1. Partijen worden zo spoedig mogelijk uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting te verschijnen. Binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn zendt het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken aan hem. De artikelen 8:45, vierde tot en met zesde lid, en 8:45a zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de voorzieningenrechter kan bepalen dat de in deze artikelen bedoelde zienswijzen mondeling ter zitting naar voren worden gebracht. Artikel 8:58 isPro van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat tot één dag voor de zitting nadere stukken kunnen worden ingediend. De artikelen 8:59, 8:60, 8:60a, tweede lid, en 8:61 tot en met 8:65 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat getuigen en deskundigen kunnen worden meegebracht of opgeroepen zonder dat de in artikel 8:60, vierde lid, eerste volzin, bedoelde mededeling is gedaan.
[…]
3. Indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder toepassing van het eerste lid.
[…]
OMGEVINGSBESLUIT
Hoofdstuk 10. Procedures
Artikel 10.2
1. Bij de kennisgeving van het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen, bedoeld in artikel 16.29 van de wet, wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken.
2. Bij het vaststellen van een omgevingsplan wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepasselijke decentrale participatiebeleid.