Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:1855

Raad van State

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
BRS.26.001569
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:87 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen beëindiging opvang na afwijzing verblijfsvergunning asiel

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 1 oktober 2025 is afgewezen. Verzoeker stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 25 maart 2026 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand liet.

Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld door verzoeker bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Verzoeker verzocht tevens om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat de opvang wordt beëindigd voordat het hoger beroep is beslist.

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat, omdat de noodzakelijke stukken voor het hoger beroep nog niet zijn ontvangen, het passend is een voorlopige voorziening te treffen. Deze houdt in dat verzoeker niet wordt uitgezet totdat het hoger beroep is afgerond. Tevens is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, bestaande uit kosten van rechtsbijstand door een derde, ter hoogte van € 934,00.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

BRS.26.001569
Datum uitspraak: 2 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 25 maart 2026 in zaak nr. NL25.49169 in het geding tussen:
verzoeker
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 1 oktober 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 25 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.        Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat de voorgenomen beëindiging van de opvang achterwege blijft. Omdat de voor de beoordeling van het hoger beroep noodzakelijke stukken nog niet zijn ontvangen, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
2.        De voorzieningenrechter kan, ook ambtshalve, deze voorlopige voorziening opheffen of wijzigen, voordat op het door verzoeker ingestelde hoger beroep is beslist (artikel 8:87, eerste lid, van de Awb).
3.        De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Koelman, griffier.
w.g. Verburg
voorzieningenrechter
w.g. Koelman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026
1021