ECLI:NL:RVS:2026:1849

Raad van State

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
BRS.26.001105
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake gecombineerde verblijfs- en arbeidsvergunning

Bij besluit van 12 februari 2024 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van betrokkene voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid af. Het bezwaar van betrokkene werd op 1 mei 2024 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de minister een nieuw besluit te nemen.

De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist. Betrokkene gaf een schriftelijke reactie.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank in stand blijft en gelet op de belangen van beide partijen besloot hij de voorlopige voorziening toe te wijzen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

BRS.26.001105
Datum uitspraak: 2 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 9 februari 2026 in zaak nr. 24/8904 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 12 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om haar een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 1 mei 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen ten behoeve van betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. G.P. Dayala, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2.        Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank in stand blijft. Daarom en gelet op de belangen die de minister en betrokkene naar voren hebben gebracht, treft hij een voorlopige voorziening.
3.        De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.
w.g. Meijer
voorzieningenrechter
w.g. Hanrath
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026
392