ECLI:NL:RVS:2026:1837
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging last onder dwangsom voor verwijderen garnalenkotter uit haven Makkum
Het college van burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân legde aan appellant een last onder dwangsom op om zijn garnalenkotter binnen zes weken uit de haven van Makkum te verwijderen, met een dwangsom van maximaal € 5.000 bij niet-naleving. Appellant maakte bezwaar en voerde onder meer aan dat de gemeentelijke Verordening havens en overige wateren 2021 niet van toepassing zou zijn en dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de verordening van toepassing is, dat het college het algemeen belang mocht laten prevaleren boven het belang van appellant en dat er geen sprake was van een onevenredige afweging of schending van het gelijkheidsbeginsel. Appellant stelde hoger beroep in en betoogde dat de rechtbank de toepasselijkheid van de verordening ten onrechte had aangenomen, dat de evenredigheidstoets onvoldoende was verricht en dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat appellant de grond dat de verordening niet van toepassing is had ingetrokken en dat de overige gronden een herhaling van eerdere betogen waren. De Afdeling onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het college de belangen van appellant heeft meegewogen, alternatieven heeft onderzocht en dat het algemeen belang bij handhaving zwaarder weegt dan het individuele belang van appellant. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de last onder dwangsom wordt bevestigd.