AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen uitblijven besluit principeverzoek zonnepark Cranendonck
Appellant heeft een principeverzoek ingediend voor het realiseren van een zonnepark in Cranendonck. Na het uitblijven van een formeel besluit op dit verzoek, stelde appellant beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De rechtbank oordeelde dat een reactie op een principeverzoek geen besluit is in de zin van artikel 1:3 AwbPro en dat tegen het uitblijven van een beslissing daarop geen bezwaar of beroep openstaat. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dit oordeel en wijst het betoog van appellant af dat het principeverzoek wel rechtsgevolgen heeft en een besluit vormt.
De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van appellant niet-ontvankelijk. Tevens veroordeelt zij het college tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Hiermee wordt bevestigd dat een principeverzoek een informele stap is zonder bindende rechtsgevolgen en geen voorportaal vormt voor een omgevingsvergunning.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat een principeverzoek geen besluit is in de zin van de Awb.
Uitspraak
202405040/1/R2.
Datum uitspraak: 1 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Budel, gemeente Cranendonck,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank OostBrabant van 30 juli 2024 in zaak nr. 23/1280 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck.
Procesverloop
[appellant] heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit van het college op zijn principeverzoek van 6 februari 2023.
Bij uitspraak van 30 juli 2024 heeft de rechtbank dit beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 29 september 2025, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door D.C.F.J. Velings en M.B.E.J. Kösters, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Op 14 april 2021 heeft het energiebedrijf Vrijopnaam B.V. namens [appellant] bij de zogenoemde regiekamer van de gemeente Cranendonk een principeverzoek ingediend voor het realiseren van een zonnepark aan de Randweg-Oost in Budel. Vrijopnaam is een bedrijf dat zonneparken ontwikkelt en exploiteert en dat een eigen leveringsvergunning heeft. Bij brief van 6 februari 2023 heeft [appellant] het college gevraagd om een formeel besluit op dit principeverzoek te nemen.
2. Bij brief van 21 maart 2023 heeft [appellant] het college in gebreke gesteld, omdat een reactie van het college uitbleef.
3. Na het uitblijven van een reactie op het principeverzoek, heeft [appellant] op 12 mei 2023 beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het niet tijdig nemen van een besluit.
4. Bij brief van 21 juni 2023 heeft het college een beslissing genomen op het principeverzoek. Daarin heeft het college te kennen gegeven dat het niet kan instemmen met het verzoek van [appellant], omdat gelet op de beschikbare netcapaciteit volgens het college geen ruimte bestaat om het zonnepark te ontwikkelen. Bij brief van 22 juni 2023 heeft het college het nemen van een formeel besluit op het principeverzoek afgewezen en vastgesteld dat het aan [appellant] geen dwangsommen verschuldigd is.
De aangevallen uitspraak
5. De rechtbank heeft vastgesteld dat de indiening van een principeverzoek een stap betreft, zoals genoemd in paragraaf 6 van de "Visie Zonneparken Cranendonck 2019-2024" (hierna: Visie zonneparken). In de Visie zonneparken worden bepaalde processtappen beschreven die moeten worden gevolgd bij een initiatief voor een zonnepark. De procedure over het principeverzoek heeft het doel om inzicht te verkrijgen in de haalbaarheid van een voorgenomen activiteit, in dit geval het realiseren van een zonnepark. Dat is volgens de rechtbank een informele procedure om duidelijk te krijgen hoe het college op belangrijke punten denkt over de haalbaarheid van een voornemen. De rechtbank heeft overwogen dat met een positieve of een negatieve reactie op een principeverzoek aan [appellant] geen rechten worden toegekend of verplichtingen worden opgelegd. Een positieve reactie op een principeverzoek houdt geen toestemming in om het zonnepark te realiseren, terwijl een negatieve reactie niet een weigering inhoudt om die toestemming te verlenen, zo heeft de rechtbank overwogen.
De rechtbank heeft verder overwogen dat de reactie op het principeverzoek geen bevoegdheid schept om een aanvraag om een omgevingsvergunning in te dienen, omdat [appellant] die bevoegdheid heeft los van het beleid dat het college op het punt van zonneparken voert. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) bepaalt namelijk exclusief onder welke omstandigheden een aanvraag om omgevingsvergunning kan worden ingediend en welke procedure op de aanvraag van toepassing is. Het college kan een aanvraag volgens de rechtbank ook niet buiten behandeling stellen omdat [appellant] niet beschikt over een positieve reactie van het college op zijn principeverzoek. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de indieningseisen waaraan een aanvraag om omgevingsvergunning moet voldoen, voor zover nu van belang, in de Omgevingsregeling staan, waarin een positieve reactie naar aanleiding van vooroverleg of een andere vergelijkbare reactie niet bij staat. Het staat het college volgens de rechtbank vrij om beleid te maken op het vooroverleg met initiatiefnemers, zodat de initiatiefnemer een inschatting kan maken over de kansen dat hem een omgevingsvergunning wordt verleend en weet aan welke eisen het project en de aanvraag moeten voldoen. Maar volgens de rechtbank is dergelijk beleid op grond van de Wabo geen verplicht voorportaal voor het indienen van een aanvraag en is ook niet bindend in de beslissing over de aanvraag.
6. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de reactie op een principeverzoek niet op een rechtsgevolg is gericht en dus geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het is daarmee ook geen aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Daarom kan volgens de rechtbank tegen het uitblijven van een beslissing op een principeverzoek geen bezwaar en beroep worden ingesteld.
Beoordeling hoger beroep
7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de reactie op een principeverzoek niet op een rechtsgevolg is gericht en dus geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb. Een dergelijke reactie heeft volgens [appellant] wel rechtsgevolgen, omdat dit volgens hem veel verder gaat dan alleen een advies over de haalbaarheid van een initiatief voor een zonnepark. [appellant] voert onder verwijzing naar het document "Begeleiding van uw bouwplannen" van de gemeente Cranendonck aan dat de regiekamer al in het begin van het proces een formeel verzoek aan de gemeenteraad doet, waarmee als het ware al met het initiatief wordt ingestemd. Met een positief besluit van het college is volgens [appellant] dan ook zo goed als zeker dat een omgevingsvergunning verleend gaat worden. Omdat het college volgens [appellant] stelselmatig en met tendentieuze argumenten blijft weigeren om zijn principeverzoek in behandeling te nemen, betreft dit volgens hem een impliciete weigering om een omgevingsvergunning te verlenen. [appellant] wijst in dit verband ook op de grote financiële gevolgen die zo’n afwijzing meebrengt. Omdat het niet tijdig beslissen op zijn principeverzoek moet worden aangemerkt als een besluit en het college niet tijdig heeft beslist, heeft [appellant] de Afdeling verzocht om alsnog de hoogte van de dwangsom vast te stellen en ook een aanvullende dwangsom aan het college op te leggen.
7.1. Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb luidt:
"Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling".
Artikel 1:3, derde lid, luidt:
"Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen".
Artikel 4:17, eerste lid, luidt:
"Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing".
"Voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep worden met een besluit gelijkgesteld:
a. de schriftelijke weigering een besluit te nemen, en
b. het niet tijdig nemen van een besluit".
7.2. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat een beslissing op een principeverzoek als bedoeld in de Visie zonneparken niet op rechtsgevolg is gericht en dus geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De Afdeling verwijst hiervoor naar de uitspraak van de rechtbank onder 5.6- 5.10. De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding daar anders over te oordelen. Dit betekent dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat het principeverzoek van [appellant] geen betrekking heeft op een met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen dan ook geen beroep of bezwaar openstaat. Dit betekent dat het college geen dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 vanPro de Awb aan [appellant] verbeurt.
8. Ambtshalve overweegt de Afdeling, nu de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat geen beroep of bezwaar openstaat, zij het beroep van [appellant] ten onrechte ongegrond heeft verklaard. De rechtbank had het beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren.
Conclusie
9. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog niet-ontvankelijk verklaren.
10. Het college moet de proceskosten in hoger beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 30 juli 2024 in zaak nr. 23/1280;
III. verklaart het door [appellant] bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk;
IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 167,21;
V. gelast dat het college van burgermeester en wethouders van Cranendonck aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 279,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.T. Schipper, griffier.