ECLI:NL:RVS:2026:1790

Raad van State

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
202504237/1/A3 en 202504237/2/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 RWNArt. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbPaspoortwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag Nederlands paspoort wegens verlies Nederlanderschap door langdurig verblijf in buitenland

Verzoeker diende op 8 mei 2024 bij de Nederlandse ambassade in Rabat een aanvraag in voor een Nederlands paspoort. De minister van Buitenlandse Zaken nam deze aanvraag niet in behandeling omdat verzoeker niet langer de Nederlandse nationaliteit bezit. Dit verlies van Nederlanderschap vond van rechtswege plaats op 1 april 2013, op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), omdat verzoeker als meerderjarige van 1 april 2003 tot en met 1 april 2013 onafgebroken zijn hoofdverblijf in Marokko had en de verjaringstermijn niet was gestuit.

Verzoeker stelde dat hij gedurende de tienjaarstermijn niet wist dat hij de Nederlandse nationaliteit bezat, maar dit maakte volgens de rechtbank en de Raad van State niet uit. De Paspoortwet bepaalt immers dat alleen Nederlanders recht hebben op een Nederlands paspoort. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker ongegrond en de Raad van State bevestigde dit oordeel in hoger beroep.

De voorzieningenrechter oordeelde dat nader onderzoek niet nodig was en dat het verzoek om een voorlopige voorziening moest worden afgewezen omdat de hoofdzaak reeds kon worden beslist. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd op 31 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat verzoeker het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren en wijst het beroep en verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitspraak

202504237/1/A3 en 202504237/2/A3.
Datum uitspraak: 31 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet, op het hoger beroep, in het geding tussen:
[verzoeker], wonend in Marokko,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 juni 2025 in zaak nr. 24/7351 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
Procesverloop
Bij besluit van 19 juni 2024 heeft de minister een aanvraag van [verzoeker] voor een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen.
Bij besluit van 3 oktober 2024 heeft de minister het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 juni 2025 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 maart 2026.
Overwegingen
1.       In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Inleiding
2.       [verzoeker] heeft op 8 mei 2024 bij de Nederlandse ambassade in Rabat een aanvraag ingediend voor een Nederlands paspoort. De minister heeft de aanvraag niet in behandeling genomen, omdat [verzoeker] niet (meer) in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Op 1 april 2013 heeft [verzoeker] van rechtswege het Nederlanderschap verloren op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). [verzoeker], die de Marokkaanse nationaliteit bezit, heeft als meerderjarige van 1 april 2003 tot en met 1 april 2013 onafgebroken zijn hoofdverblijf in Marokko gehad. De verjaringstermijn is niet gestuit. [verzoeker] stelt dat hij gedurende de tienjaarstermijn niet wist dat hij de Nederlandse nationaliteit bezat.
Uitspraak van de rechtbank
3.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister de aanvraag van [verzoeker] terecht niet in behandeling heeft genomen. Uit de Paspoortwet volgt dat alleen Nederlanders recht hebben op een Nederlands paspoort. [verzoeker] heeft bevestigd dat hij van 1 april 2003 tot en met 1 april 2013 zijn hoofdverblijf in Marokko had en dat hij altijd de Marokkaanse nationaliteit heeft gehad. De minister heeft dan ook terecht vastgesteld dat [verzoeker] zijn Nederlanderschap op 1 april 2013 van rechtswege heeft verloren op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN. Dat [verzoeker] niet wist dat hij het Nederlanderschap bezat, maakt dit niet anders. In de RWN is namelijk limitatief bepaald onder welke omstandigheden het Nederlanderschap van rechtswege kan worden verkregen, behouden blijft en van rechtswege verloren gaat. Omdat [verzoeker] het Nederlanderschap niet meer bezit, voldoet hij niet aan de eisen voor verlening van een Nederlands paspoort.
Hoger beroep
4.       [verzoeker] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister zijn aanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen. Hiertoe voert hij aan dat hij om verschillende redenen graag een Nederlands paspoort zou willen hebben. Daarmee heeft hij naar het oordeel van de Afdeling niet onderbouwd waarom het oordeel van de rechtbank onjuist zou zijn. De rechtbank is gemotiveerd op alle gronden uit het beroepschrift van [verzoeker] ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6 tot en met 9 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Conclusie
5.       Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6.       Omdat uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat geen grond meer.
7.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.E. de Bakker, griffier.
w.g. Uylenburg
voorzieningenrechter
w.g. De Bakker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026
1031