ECLI:NL:RVS:2026:1789

Raad van State

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
202600743/2/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 8:81 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens hennepkwekerij

De burgemeester van Heerlen besloot op 14 augustus 2025 de woning van verzoeker te sluiten voor zes maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet, nadat in juni 2025 een hennepkwekerij met 228 planten was aangetroffen. Eerder was in april 2024 ook al een hennepkwekerij in dezelfde woning gevonden en had verzoeker een waarschuwing ontvangen.

Verzoeker maakte bezwaar tegen het sluitingsbesluit, dat door de burgemeester werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Verzoeker stelde hoger beroep in en vroeg de Raad van State om een voorlopige voorziening om sluiting uit te stellen.

De voorzieningenrechter van de Raad van State oordeelde dat de belangen van de burgemeester, waaronder het herstel van de openbare orde en het voorkomen van herhaling van druggerelateerde problematiek, zwaarder wegen dan de persoonlijke omstandigheden van verzoeker, zoals psychische problemen en financiële situatie. Ook werd meegewogen dat verzoeker geen speciale binding met de woning heeft en dat er geen andere bewoners zijn. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wegens hennepkwekerij wordt afgewezen.

Uitspraak

202600743/2/A3.
Datum uitspraak: 31 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend in Heerlen,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg (de rechtbank) van 29 januari 2026 in zaken nrs. 26/8 en 26/19 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de burgemeester van Heerlen.
Procesverloop
Bij besluit van 14 augustus 2025 heeft de burgemeester besloten de woning aan de [locatie] in Heerlen op grond van artikel 13b van de Opiumwet voor zes maanden te sluiten.
Bij besluit van 24 november 2025 heeft de burgemeester het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 januari 2026 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter van de Afdeling verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 19 maart 2026, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. J.I.T. Sopacua, advocaat in Heerlen, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. K. Ubaghs, zijn verschenen.
Overwegingen
1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
Inleiding
2.       [verzoeker] woont in de woning aan de [locatie] in Heerlen, die hij huurt van Stichting Woonpunt. Naar aanleiding van een netmeting en buurtonderzoek is de woning op 17 juni 2025 doorzocht door de politie-eenheid Limburg. In de daarover op ambtsbelofte opgestelde bestuurlijke rapportage van 15 juli 2025 staat dat in de kelder een hennepkwekerij is aangetroffen, verdeeld over twee ruimtes. In totaal zijn er 228 planten aangetroffen. Er zijn aanwijzingen voor één of meerdere opbrengsten uit eerdere oogsten en de kweekruimtes waren voorzien van assimilatielampen, aan- en afzuiginstallatie, koolstoffilters en een toevoer van CO². Verder was de stroomaanvoer gemanipuleerd.
2.1.    In de woning is al eerder, namelijk op 10 april 2024, een hennepkwekerij aangetroffen. Verder heeft [verzoeker] op 31 oktober 2024 een waarschuwing gekregen in verband met de aanwezigheid van een hennepkwekerij op zijn vorige woonadres.
2.2.    Bij het besluit van 14 augustus 2025 heeft de burgemeester besloten om de woning op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet voor zes maanden te sluiten. Bij het besluit van 24 november 2025 heeft de burgemeester het door [verzoeker] ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Met dat besluit heeft hij bepaald dat de woning wordt gesloten per 7 januari 2026. De woning is tot op heden nog niet feitelijk gesloten.
2.3.    [verzoeker] heeft tegen het besluit van 24 november 2025 beroep bij de rechtbank ingesteld. Ook heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om de voorziening te treffen die inhoudt dat de woning nog niet gesloten hoeft te worden tot zes weken nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep van [verzoeker].
Uitspraak van de rechtbank
3.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester de sluiting geschikt en noodzakelijk heeft kunnen achten, gelet op het tijdsverloop en de ligging in een voor drugscriminaliteit kwetsbare woonwijk. De burgemeester heeft hierbij mogen betrekken dat al eerder een hennepkwekerij is aangetroffen aan de [locatie] en in [verzoeker]s vorige woning.
De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de burgemeester de sluiting evenwichtig heeft kunnen vinden. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de burgemeester meer gewicht heeft mogen toekennen aan het belang van het herstel van de openbare orde en een veilig woon- en leefklimaat in de omgeving van de woning dan aan de belangen van [verzoeker]. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank het beroep van [verzoeker] ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Verzoek om voorlopige voorziening
4.       [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat de woning niet wordt gesloten totdat op het hoger beroep is beslist.
4.1.    De voorzieningenrechter kan ingevolge artikel 8:86 van Pro de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien deze van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Deze situatie doet zich hier niet voor. De voorzieningenrechter zal daarom met een belangenafweging bepalen of er aanleiding bestaat om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen.
4.2.    De voorzieningenrechter ziet aanleiding om het verzoek van [verzoeker], na afweging van de betrokken belangen, af te wijzen. De voorzieningenrechter weegt zeker mee dat de sluiting voor [verzoeker] zwaar is. [verzoeker] kampt met psychische problemen en staat sinds een psychose in januari 2026 onder behandeling. Ook weegt de voorzieningenrechter mee dat [verzoeker] in een moeilijke financiële situatie verkeert, omdat zijn bijstandsuitkering is ingetrokken. Hoewel dit zwaarwegende belangen zijn, wegen deze belangen naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet op tegen de belangen van de burgemeester om de negatieve effecten van de overtreding te beëindigen en herhaling van de overtreding te voorkomen. Daartoe is allereerst relevant dat de woning in een omgeving ligt waarin in het recente verleden vaker sprake is geweest van druggerelateerde problematiek. Daarnaast weegt de voorzieningenrechter mee dat gelet op de overgelegde stukken en de verklaringen van partijen op zitting er een kans bestaat op herhaling. Aan dit belang van de burgemeester moet ook nu nog gewicht worden toegekend. Hierbij is relevant dat op 10 april 2024 eerder een hennepkwekerij in de woning is aangetroffen. Verder weegt de voorzieningenrechter mee dat [verzoeker] geen speciale binding heeft met de woning en dat er geen andere personen in de woning verblijven. Tot slot weegt de voorzieningenrechter mee dat de burgemeester [verzoeker] hulp heeft geboden bij het vinden van vervangende woonruimte.
4.3.    De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Conclusie
5.       Het verzoek wordt afgewezen.
6.       De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.E. de Bakker, griffier.
w.g. Uylenburg
voorzieningenrechter
w.g. De Bakker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026
1031