De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde op 3 januari 2024 een boete van €67.500,00 op aan een snackbar wegens overtreding van artikel 18b, tweede lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). Na bezwaar werd de boete vastgesteld op €64.125,00 en werd een betalingsregeling van 24 maanden aangeboden aan de voormalige vennoten van de snackbar.
De rechtbank verklaarde het beroep van de snackbar tegen deze besluiten ongegrond, waarna de snackbar hoger beroep instelde en tevens een verzoek om voorlopige voorziening indiende om de betalingsregeling te schorsen. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op zittingen in november 2025 en maart 2026, waarbij nadere stukken werden ingediend.
De voorzieningenrechter constateerde dat de minister terecht de boete oplegde aan de vennootschap onder firma, ondanks de latere beëindiging daarvan. Hoewel de snackbar stelde dat de betalingsregeling onevenredige gevolgen zou hebben, was onvoldoende duidelijkheid over de betalingscapaciteit van de vennoten. Gezien de omvang van de boete en het maandelijkse bedrag besloot de voorzieningenrechter het te betalen bedrag voorlopig te verlagen tot €1.000,00 tot de uitspraak in de bodemprocedure.
De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden, maar moet het griffierecht van €579,00 aan de snackbar vergoeden. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter C.J. Borman van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 31 maart 2026.
Uitkomst: Het maandelijkse bedrag van de boetebetalingsregeling wordt voorlopig verlaagd tot €1.000,00 tot de uitspraak in het hoger beroep.
Uitspraak
202505616/2/A3.
Datum uitspraak: 31 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:
[verzoekster], gevestigd in [plaats],
verzoekster,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 oktober 2025 in zaak nr. 24/11411 in het geding tussen:
de snackbar
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Procesverloop
Bij besluit van 3 januari 2024 heeft de minister aan de snackbar een boete opgelegd van € 67.500,00 opgelegd en besloten inspectiegegevens openbaar te maken wegens overtreding van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml).
Bij besluit van 15 november 2024 heeft de minister het door de snackbar daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de boete vastgesteld op € 64.125,00.
Bij besluit van 19 november 2024 heeft de minister de inmiddels voormalige vennoten van de snackbar een betalingsregeling ter voldoening van de boete aangeboden met een looptijd van 24 maanden.
Bij uitspraak van 30 oktober 2025 heeft de rechtbank de door de snackbar tegen de besluiten van 15 november 2024 en van 19 november 2024 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de snackbar hoger beroep ingesteld.
Ook heeft de snackbar de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld op de zitting van 13 november 2025, waar de snackbar, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. O. van Rossum en mr. N. Majid, zijn verschenen.
De voorzieningenrechter heeft de snackbar in de gelegenheid gesteld nadere informatie over te leggen aan de minister.
De snackbar heeft dat gedaan en de minister heeft daarop gereageerd.
De snackbar en de minister hebben nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek opnieuw behandeld op de zitting van 17 maart 2026, waar de snackbar, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. O. van Rossum, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. De minister heeft aan de snackbar een boete opgelegd omdat een inspecteur bij een controle heeft vastgesteld dat de snackbar artikel 18b, tweede lid, van de Wml heeft overtreden. [gemachtigde] exploiteerde de snackbar. Hij en zijn broer waren de twee vennoten van de snackbar.
3. Het verzoek strekt ertoe om bij wijze van voorlopige voorziening de betalingsregeling te schorsen totdat in de bodemzaak is beslist.
4. Niet in geschil is dat sprake is van een overtreding. De voorzieningenrechter gaat er voorshands vanuit dat de minister de boete terecht heeft opgelegd aan de vennootschap onder firma, omdat ten tijde van de boeteoplegging op 3 januari 2024 volgens het handelsregister deze vennootschap bestond. Dat deze daarna met terugwerkende kracht op 1 januari 2024 is beëindigd, doet hieraan niet af. [gemachtigde] heeft niet aannemelijk gemaakt dat voorafgaand aan 3 januari aan de Kamer van Koophandel is doorgegeven dat de vennootschap daarvoor of op dat moment al was beëindigd.
5. De minister heeft aangegeven dat hij hecht aan tenuitvoerlegging van de betalingsregeling, omdat hij een lik-op-stukbeleid voert als een boete is opgelegd wegens onderbetaling.
[gemachtigde] heeft, samengevat weergegeven, hiertegenover gesteld dat de door de minister vastgestelde betalingsregeling voor hem onevenredige gevolgen zal hebben. Volgens hem dreigt verkoop van de woning van hemzelf dan wel die van zijn broer als het besluit nu wordt uitgevoerd.
6. De voorzieningenrechter constateert dat het lastig is om op basis van de overgelegde stukken en de door [gemachtigde] betrokken standpunten vast te stellen wat de betalingscapaciteit is van [gemachtigde] en zijn broer. Onduidelijk is in het bijzonder of er mogelijkheden bestaan voor [gemachtigde] of zijn broer om hypothecaire leningen op panden die zij in (mede)eigendom hebben te verhogen. Verder heeft de minister terecht geconstateerd dat bepaalde stukken over de belastingaangifte en aanslagen inkomstenbelasting van de broer dan wel zijn echtgenote ontbreken. In hoeverre [gemachtigde] afspraken met de Belastingdienst heeft of gaat maken over betaling van belastingschulden, is op dit moment eveneens onzeker.
7. De minister stelt zich op grond van het voorgaande terecht op het standpunt dat te weinig gegevens aanwezig zijn om het ontbreken van betalingscapaciteit aan te nemen. Gelet op de omvang van de boete en van het bedrag dat volgens de betalingsregeling maandelijks moet worden betaald, is de voorzieningenrechter onder voormelde omstandigheden wel van oordeel dat er aanleiding bestaat om bij wijze van voorlopige voorziening tot de uitspraak op het hoger beroep zal zijn gedaan het maandelijks te betalen bedrag te verminderen tot € 1.000,00.
8. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. treft de voorlopige voorziening dat het maandelijks te betalen bedrag tot het moment dat de Afdeling uitspraak heeft gedaan op het hoger beroep wordt verminderd tot € 1.000,00;
II. gelast dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 579,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier.