ECLI:NL:RVS:2026:1771

Raad van State

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
BRS.26.001264
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • M.J.M. Ristra-Peeters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielprocedure

Verzoekers hebben bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvragen zijn bij besluiten van 10 oktober 2025 niet-ontvankelijk verklaard. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 10 maart 2026 de beroepen ongegrond verklaarde. Vervolgens hebben verzoekers hoger beroep ingesteld bij de Raad van State en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld. Gezien het feit dat het hoger beroep nader onderzoek vergt en deze procedure zich daar niet goed voor leent, is besloten een voorlopige voorziening te treffen. Deze voorziening houdt in dat verzoekers niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist.

Daarnaast is de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten die verzoekers hebben gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening, een bedrag van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak is gedaan op 30 maart 2026 door voorzieningenrechter M.J.M. Ristra-Peeters.

Uitkomst: Verzoekers worden niet uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

BRS.26.001264
Datum uitspraak: 30 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker A], [verzoeker B] , mede voor hun minderjarige kinderen
verzoekers,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 10 maart 2026 in zaken nrs. NL25.50647 en NL25.50648 in het geding tussen:
verzoekers
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 10 oktober 2025 heeft de minister aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 10 maart 2026 heeft de rechtbank de daartegen door verzoekers ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben verzoekers hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.        Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat zij niet worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat zij opvang en verstrekkingen krijgen.
2.        Het hoger beroep vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3.        De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoekers niet worden uitgezet, totdat op het door hun ingestelde hoger beroep is beslist;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzieningenrechter
w.g. Huizer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026
987