AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing voorlopige voorziening tegen ontheffing voor schade aan dassenhabitat bij villawoningenproject
Het college van gedeputeerde staten van Gelderland verleende op 19 juni 2024 een ontheffing voor het opzettelijk beschadigen van vaste voortplantings- en rustplaatsen van de das ten behoeve van de bouw van 15 villawoningen op landgoed Prinsenbosch in Voorthuizen. Stichting Valouwe Natuur en Stichting Das & Boom stelden beroep in tegen dit besluit, dat door de rechtbank Gelderland op 3 juni 2025 ongegrond werd verklaard. De stichtingen verzochten vervolgens de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de ontheffing en de uitspraak van de rechtbank te schorsen, omdat werkzaamheden al waren gestart en onomkeerbare schade aan de das zou kunnen ontstaan.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank in de bodemprocedure zou worden vernietigd. De rechtbank had geoordeeld dat het verlies van maximaal 4,7 hectare foerageergebied in het projectgebied niet leidde tot verlies van essentieel foerageergebied, omdat er voldoende alternatief foerageergebied in de directe omgeving van de hoofdburcht Meeuwenveen aanwezig is. Dit oordeel werd onderbouwd met ecologische rapportages en een GIS-analyse.
De voorzieningenrechter stelde vast dat de ontheffing voorschriften bevat die maatregelen voorschrijven om de toegankelijkheid van het alternatieve foerageergebied te waarborgen, zoals het inzaaien van grasland, aanplant van heggen en aanleg van een faunapassage. Klachten over niet-naleving van deze maatregelen betreffen handhaving en kunnen in deze procedure niet worden behandeld. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de ontheffing voor schade aan dassenhabitat wordt afgewezen.
Uitspraak
202503990/2/R2.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:
Stichting Valouwe Natuur, gevestigd in Harderwijk, en Stichting Das & Boom, gevestigd in Ubbergen, gemeente Berg en Dal, (hierna: de Stichtingen)
verzoekers,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 juni 2025 in zaak nr. 24/5130 in het geding tussen:
de Stichtingen
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland.
Procesverloop
Bij het besluit van 19 juni 2024 heeft het college aan [partij] een ontheffing verleend van het verbod als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de das. De ontheffing is verleend ten behoeve van de realisatie van 15 villawoningen aan de Hunnenweg op landgoed Prinsenbosch in Voorthuizen (hierna: het projectgebied).
Bij uitspraak van 3 juni 2025 heeft de rechtbank het hiertegen door de Stichtingen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de Stichtingen hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Stichtingen hebben nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op de zitting behandeld van 18 december 2025, waar de Stichtingen, vertegenwoordigd door dr. ir. J.J. Schröder, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.G.C. Geurts en J.H. Gunnink, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. J.J. van Doleweerd, advocaat in Amersfoort, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Voorlopig karakter oordeel
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter is een voorlopig oordeel en niet bindend in de bodemprocedure.
Inleiding
3. Het college heeft op 3 april 2023 een aanvraag om ontheffing van de verbodsbepaling als bedoeld in artikel 3.10 eerste lid, aanhef en onder b van de Wnb ontvangen van [partij], voor de realisatie van 15 villawoningen in het projectgebied. Bij het besluit van 19 juni 2024 heeft het college de gevraagde ontheffing verleend. Het heeft zich daarbij gebaseerd op het bij de aanvraag gevoegde rapport "Activiteitenplan ontwikkeling Landgoed Prinsenbosch" van 4 maart 2024 (hierna: het Activiteitenplan) en de notitie "Aanvulling onderbouwing foerageerafstanden tot hoofdburchten das" van 3 april 2024 (hierna: de notitie), beide opgesteld door Ecogroen.
4. In het Activiteitenplan staat dat in het projectgebied twee bijburchten, drie vluchtpijpen en maximaal 4,7 ha grasland dat geschikt is als foerageergebied voor de das, aanwezig zijn. De dassen die gebruik maken van het projectgebied horen naar verwachting bij de hoofdburcht gelegen direct ten noorden van het projectgebied, aan de Meeuwenveenseweg. Het project leidt volgens het Activiteitenplan niet tot een aantasting van de bijburchten en de vluchtpijpen. Wel leidt de ontwikkeling tot een verlies van maximaal 4,7 ha geschikt foerageergebied in het projectgebied.
5. Het college heeft zich in het besluit van 19 juni 2024 op het standpunt gesteld dat geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populatie van de dassen in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Het project leidt volgens het college niet tot een verlies van essentieel foerageergebied, omdat blijkens het Activiteitenplan in de directe omgeving van hoofdburcht Meeuwenveen voldoende alternatief foerageergebied voor de das aanwezig is om het verlies van 4,7 ha geschikt foerageergebied in het projectgebied op te vangen, mits maatregelen worden getroffen voor de toegankelijkheid daarvan.
6. Bij uitspraak van 3 juni 2025 heeft de rechtbank het beroep van de Stichtingen tegen het besluit van 19 juni 2024 ongegrond verklaard. De Stichtingen kunnen zich daarmee niet verenigen. Zij hebben daarom verzocht om bij een voorlopige voorziening de uitspraak van de rechtbank en de verleende ontheffing te schorsen, nu met de werkzaamheden voor de realisatie van één van de villawoningen inmiddels is begonnen en daarmee volgens hen onomkeerbare gevolgen voor de das zouden kunnen ontstaan.
Conclusie
7. Het verzoek wordt afgewezen. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is namelijk niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank in de bodemprocedure zal worden vernietigd. De voorzieningenrechter licht dat hieronder toe.
Compensatie voor verlies van foerageergebied?
8. De rechtbank heeft het betoog van de Stichtingen dat in de ontheffing onvoldoende is voorzien in compensatie voor het verlies van foerageergebied in het projectgebied, niet gevolgd. De rechtbank heeft daarover onder meer overwogen dat essentieel foerageergebied verloren gaat als gevolg van het project, maar dat, omdat Ecogroen heeft geconcludeerd dat het verlies in de omgeving kan worden opgevangen, het college niet verplicht was om daarvoor compenserende maatregelen in de ontheffing op te nemen.
9. De Stichtingen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college niet verplicht is om compenserende maatregelen in de ontheffing op te nemen, omdat een verlies van essentieel foerageergebied, te weten 4,7 ha bemeste graslanden in de directe nabijheid van hoofdburcht Meeuwenveen, vereist dat elders in de directe omgeving van de hoofdburcht geschikter foerageergebied wordt aangelegd. Ieder verlies van leefgebied van de das is volgens de Stichtingen in beginsel essentieel, tenzij er aantoonbaar alternatieve leefgebieden zijn waar nog geen dassen leven. De rechtbank heeft volgens de Stichtingen ten onrechte aangenomen dat dergelijke alternatieve gebieden aanwezig zijn, omdat het college er ten onrechte vanuit gaat dat het foerageergebied van de dassen van de hoofdburcht tot een straal van wel 1 km in plaats van slechts 500 m rondom de hoofdburcht is gelegen. Door de aanwezigheid van andere hoofdburchten kunnen de dassen hun territorium namelijk niet naar elders verleggen zonder in conflict te komen met andere dassenclans. Daarbij komt nog dat het verder weg gelegen foerageergebied deels volstrekt ongeschikt is vanwege de complete afwezigheid van dekking in de vorm van hagen, bosschages of ruige greppels, zo brengen de Stichtingen naar voren.
9.1. Niet in geschil is dat het project leidt tot een aantasting van maximaal 4,7 ha geschikt foerageergebied in het projectgebied.
9.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:12, onder 9.1, wordt onder een essentieel foerageergebied verstaan: een foerageergebied dat van wezenlijk belang is voor het functioneren van de voortplantings- of rustplaats wanneer er geen alternatieve foerageergebieden zijn om eventuele aantasting daarvan op te vangen.
9.3. De voorzieningenrechter ziet in wat de Stichtingen hebben aangevoerd op voorhand geen reden voor twijfel aan de juistheid van het oordeel van de rechtbank dat het college niet verplicht was om compenserende maatregelen in de ontheffing op te nemen voor verlies van foerageergebied in het projectgebied. De Stichtingen brengen weliswaar terecht naar voren dat de rechtbank heeft overwogen dat essentieel foerageergebied in het projectgebied verloren gaat, maar deze overweging is niet juist. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de rechtbank namelijk ook terecht tot de conclusie gekomen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat in de directe omgeving van hoofdburcht Meeuwenveen voldoende alternatief foerageergebied aanwezig is om het verlies van foerageergebied in het projectgebied op te vangen.
9.4. In de eerste plaats neemt de voorzieningenrechter daarbij in aanmerking dat het college de bevindingen van ecologische rapportages, te weten het Activiteitenplan en de notitie, aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. Daaruit volgt dat in de omgeving van hoofdburcht Meeuwenveen voldoende geschikt alternatief foerageergebied aanwezig is. Uit het Activiteitenplan volgt dat veldbezoeken hebben plaatsgevonden, waarbij binnen een gebied van 1 km rondom de burcht in het projectgebied het landgebruik in kaart is gebracht. Daarbij is de geschiktheid van omliggende percelen als foerageergebied onderzocht en ingedeeld in geschikt foerageergebied (bemeste graslanden), periodiek geschikt foerageergebied (bijvoorbeeld maisakkers), weinig geschikt foerageergebied (loofbossen en niet bemeste graslanden), en ongeschikt foerageergebied (met name wegen, verhardingen, paardenbakken en akkers). Daarnaast zijn binnen een gebied van 3 km van het projectgebied bekende waarnemingen van dassen en specifieke burchtlocaties nagelopen. In totaal zijn zes locaties van hoofdburchten vastgesteld. In bijlage 4 van het Activiteitenplan is op basis van deze informatie middels een Geografisch Informatiesysteem (GIS) analyse de verwachte grootte van het territorium en het daarbinnen gelegen foerageergebied rondom hoofdburcht Meeuwenveen in kaart gebracht. In het Activiteitenplan en de notitie staat vermeld dat de verwachte territoriumgrenzen op ongeveer 366 tot 1.004 m afstand van de hoofdburcht liggen, het territorium ongeveer 127 ha groot is en binnen dit territorium minimaal 47 ha geschikt foerageergebied aanwezig blijft. Op de zitting hebben de Stichtingen desgevraagd erkend dat een grootte van 47 ha foerageergebied op zich voldoende is voor de dassen van hoofdburcht Meeuwenveen.
De voorzieningenrechter acht op voorhand ook niet aannemelijk gemaakt dat het college er niet vanuit heeft kunnen gaan dat het foerageergebied van de dassen van hoofdburcht Meeuwenveen niet ook buiten een straal van 500 m rondom de hoofdburcht is gelegen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat volgens de notitie de verwachte territoriumgrenzen van de dassen van hoofdburcht Meeuwenveen waarbinnen volgens het Activiteitenplan voldoende geschikt foerageergebied beschikbaar is, in lijn zijn met de afstanden die zijn genoemd in het Kennisdocument Das van BIJ12, namelijk dat foerageergebied binnen 500 m tot enkele kilometers van de hoofdburcht moet zijn gelegen. Ook betrekt de voorzieningenrechter daarbij dat uit de notitie volgt dat het niet reëel is om de grootte van het foerageergebied te bepalen aan de hand van een harde afstand van 500 m vanaf de hoofdburcht, nu de in acht te nemen afstand afhankelijk is van de ligging van de hoofdburcht, de toegankelijkheid en geschiktheid van omliggende percelen en de ligging van andere dassenterritoria en hoofdburchten. In de notitie is in dit verband uiteengezet dat geschikte foerageergebieden vooral ten westen, ten noorden en ten zuiden van het projectgebied zijn gelegen. Ten westen is volgens de notitie meer ruimte voor de das om te foerageren, omdat de hoofdburchten van andere dassenclans daar op ongeveer 2 km zijn gelegen. Daarbij zorgen de recent aangelegde hagen op het perceel direct ten noordwesten van het projectgebied, aan de overzijde van de Hunnenweg, volgens de notitie voor geleiding en beschutting op de route naar dit foerageergebied. Ten oosten van het projectgebied is juist minder geschikt foerageergebied aanwezig en liggen de andere hoofdburchten op ongeveer 730 tot 900 m relatief dichtbij, zo volgt uit de notitie.
9.5. In de tweede plaats neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat in de voorschriften van de ontheffing onder 13 is bepaald dat maatregelen moeten worden uitgevoerd om de toegankelijkheid van het alternatieve foerageergebied te waarborgen. Die maatregelen omvatten onder meer dat voorafgaand aan de start van de realisatie van de woningen de strook grasland in het projectgebied met klaver wordt ingezaaid, een heg langs de westzijde van de sloot wordt aangelegd, en de ruigtestrook wordt doorgetrokken om de dassen een geschikte wissel te bieden naar de overzijde van de Hunnenweg. Ook moet in de Hunnenweg een faunapassage worden aangelegd.
9.6. Het betoog slaagt niet.
Handhaving
10. De Stichtingen hebben aangevoerd dat een aantal van de voorgeschreven maatregelen niet wordt nageleefd, waaronder het inzaaien van de strook grasland en de aanplant van de heg in het projectgebied. Ook stellen zij dat een onvergund dassenwerend raster recht tegenover de uitgang van de faunapassage is geplaatst. De voorzieningenrechter overweegt hierover dat dit een kwestie van handhaving is, die in deze procedure over de ontheffing niet aan de orde kan komen.
10.1. Het betoog slaagt niet.
Proceskosten
11. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T.T. Schipper, griffier.