AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen wijzigingsplan Natuurgebied Bodegraven Noord
Het college van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk heeft het wijzigingsplan 'Natuurgebied Bodegraven Noord' vastgesteld, waarbij agrarische gronden zijn omgezet naar de bestemming 'Natuur'. De maatschap en anderen, een groep agrariërs met pacht- en eigendomsrechten rondom het gebied, vreesden nadelige gevolgen voor hun agrarische bedrijfsvoering en stelden beroep in tegen het plan. Zij verzochten tevens om voorlopige voorzieningen om de uitvoering van werkzaamheden te staken.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er een spoedeisend belang bestaat vanwege de reeds verleende omgevingsvergunning en de lopende bezwaarprocedure. Echter, de belangenafweging leidde tot het oordeel dat de belangen van de provincie en Natuurmonumenten, waaronder het tijdig realiseren van het natuurgebied en het voorkomen van aanzienlijke schade, zwaarder wegen dan de belangen van de agrariërs.
De agrariërs hadden geen actuele pachtovereenkomsten en het risico op onomkeerbare schade werd niet aannemelijk gemaakt. Ook de mogelijke effecten op waterhuishouding en stikstofuitstoot werden onvoldoende onderbouwd om schorsing te rechtvaardigen. De voorzieningenrechter wees daarom het verzoek om voorlopige voorziening af, waarbij het oordeel niet bindend is voor de bodemprocedure.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen wijzigingsplan Natuurgebied Bodegraven Noord is afgewezen.
Uitspraak
202501225/2/R3 en 202501264/2/R3.
Datum uitspraak: 26 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker] en anderen (de maatschap en anderen), gevestigd in Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,
verzoekers,
en
1. de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk,
2. het college van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk,
verweerders.
Procesverloop
Bij besluit van 26 november 2024 heeft het college van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk het wijzigingsplan "Natuurgebied Bodegraven Noord" (het wijzigingsplan) gewijzigd vastgesteld.
Bij besluit van 18 december 2024 heeft de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk het bestemmingsplan "Natuurgebied Bodegraven Noord" (het bestemmingsplan Natuurgebied) gewijzigd vastgesteld.
Tegen deze besluiten hebben de maatschap en anderen beroepen ingesteld.
De maatschap en anderen hebben de voorzieningenrechter daarnaast verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen.
De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.
De maatschap en anderen hebben een nader stuk ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 10 maart 2026, waar de maatschap en anderen, de raad en het college zijn verschenen. De maatschap en anderen zijn vertegenwoordigd door mr. J.H.D. Elings, advocaat in Tilburg, vergezeld door [personen]. De raad en het college zijn vertegenwoordigd door mr. M. van Moorsel, advocaat in Nijmegen en B.A. Drost. Ook zijn op de zitting de Vereniging Natuurmonumenten (Natuurmonumenten), vertegenwoordigd door ir. E.M. Kool en de provincie Zuid-Holland en het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland (hierna samen: de provincie), vertegenwoordigd door R. Brouwer en M.L.H. Louwman, verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan of een wijzigingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan of wijzigingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpbestemmingsplan en het ontwerpwijzigingsplan zijn op donderdag 7 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedures het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. In 2016 hebben verschillende bestuursorganen in de provincie Zuid-Holland de "Gebiedsovereenkomst Veenweiden Gouwe Wiericke 2016-2021" getekend. In deze overeenkomst zijn opgaven bepaald voor natuur, recreatie en landbouw en de daaraan gerelateerde bodem- en waterbeheerkwesties. Onderdeel van de natuuropgave in de Gouwe Wiericke is de inrichting van de natuur in Bodegraven Noord als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het wijzigingsplan en het bestemmingsplan Natuurgebied (hierna samen: de voorliggende plannen) maken de inrichting van dit gebied planologisch mogelijk.
Met het wijzigingsplan heeft het college de bestemming van de gronden in het plangebied van het wijzigingsplan gewijzigd van "Agrarisch met waarden - Natuur en landschapswaarden" in de bestemming "Natuur". Daarbij heeft het college een wijzigingsbevoegdheid toegepast uit het daarvoor geldende bestemmingsplan "Buitengebied Noord" (het bestemmingsplan Buitengebied). De wijzigingsbevoegdheid kon niet worden toegepast op alle gronden van het beoogde natuurgebied. Voor deze gronden, die in het bestemmingplan Buitengebied de bestemming "Agrarisch met waarden" hadden, heeft de raad het bestemmingsplan Natuurgebied vastgesteld. Daarin hebben ook deze gronden de bestemming "Natuur" gekregen.
3. De maatschap en anderen zijn een groep agrariërs. Zij zijn eigenaar van gronden of pachten en/of huren gronden rondom de plangebieden van de voorliggende plannen. Daarnaast pachtte een deel van hen tot uiterlijk 1 januari 2026 gronden in de plangebieden. De maatschap en anderen vrezen voor de gevolgen van de ontwikkeling van het natuurgebied omdat de gronden in de plangebieden niet meer of minder geschikt zullen zijn voor agrarische doeleinden. Daarnaast vrezen zij dat de natuurontwikkeling nadelige effecten zal hebben op de agrarische bedrijfsvoering op gronden in de directe omgeving van de plangebieden.
4. De voor deze zaak relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter acht een spoedeisend belang aanwezig, in tegenstelling tot wat het college en de raad van Bodegraven-Reeuwijk hebben aangevoerd. Er is namelijk een omgevingsvergunning aan de provincie Zuid-Holland verleend voor onder meer het uitvoeren van werkzaamheden voor het natuurontwikkelingsproject Bodegraven Noord. Daartegen loopt een bezwaarprocedure. Bij het nemen van een besluit op bezwaar moet nu getoetst worden aan de in werking getreden voorliggende plannen. De voorwaarden voor de verlening van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden voor de gronden van de plangebieden zijn in de voorliggende plannen gewijzigd ten opzichte van de voorwaarden in het bestemmingsplan Buitengebied. Zo is niet langer de voorwaarde opgenomen dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de agrarische belangen. Als eenmaal een besluit op bezwaar is genomen kan niet meer worden afgedwongen dat na een eventuele vernietiging van de voorliggende plannen, de omgevingsvergunning alsnog getoetst wordt aan de voorwaarden van het bestemmingsplan Buitengebied.
Het college van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk heeft toegezegd bereid te zijn geen besluit op bezwaar te nemen totdat uitspraak is gedaan in de bodemprocedures over de voorliggende plannen. Daardoor zal na een eventuele vernietiging van de voorliggende plannen in de bodemprocedure, in het besluit op bezwaar alsnog getoetst moeten worden aan het bestemmingsplan Buitengebied. Dat neemt echter niet weg dat de omgevingsvergunning in werking is getreden en een aanvang is gemaakt met de uitvoering van de vergunde werkzaamheden. Deze werkzaamheden kunnen daarom doorgang vinden als er geen besluit op bezwaar wordt genomen waarin de omgevingsvergunning wordt herroepen of een voorlopige voorziening wordt getroffen waardoor de werkzaamheden gestaakt moeten worden. Daarom hebben de maatschap en anderen een spoedeisend belang bij de verzochte voorlopige voorzieningen.
De beoordeling van het verzoek
Inleiding
6. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. De gronden die de maatschap en anderen in beroep hebben aangevoerd lenen zich niet voor een voorlopig rechtmatigheidsoordeel. Daarom zal de voorzieningenrechter met een belangenafweging bepalen of vooruitlopend op de beoordeling van de beroepsgronden in de bodemprocedure een voorlopige voorziening moet worden getroffen.
Belangenafweging
7. De voorzieningenrechter weegt de belangen van het niet schorsen van de voorliggende plannen in de gegeven omstandigheden zwaarder dan de belangen van de maatschap en anderen bij schorsing van de plannen. De voorzieningenrechter licht dat hieronder toe.
De belangen van de provincie en natuurmonumenten
8. De provincie heeft toegelicht dat afspraken zijn gemaakt met het rijk dat het NNN-gebied in 2027 in ontwikkeling genomen moet zijn. Om dit tijdig te kunnen realiseren is het van belang dat de werkzaamheden door kunnen gaan. Daarbij wijst de provincie erop dat de planning van de werkzaamheden nauw luistert vanwege de broedseizoenen waardoor in bepaalde periodes geen werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden. Daarnaast zijn er aannemers gecontracteerd voor verschillende werkzaamheden. Daardoor leidt het niet uitvoeren van de werkzaamheden tot een schadepost van € 70.000,00 per week. Natuurmonumenten, die eigenaar is van het grootste deel van de gronden in de plangebieden, heeft er daarbij op gewezen dat zolang de werkzaamheden niet zijn uitgevoerd er ook geen gronden in pacht uitgegeven zullen worden. Daarom zal een vertraging in de werkzaamheden zorgen voor een vertraging in het opnieuw in pacht uitgeven van die gronden in de plangebieden die daar na de werkzaamheden nog geschikt voor zijn. Het stilleggen van de werkzaamheden heeft daarom mogelijk ook nadelige gevolgen voor de maatschap en anderen, zo stelt Natuurmonumenten.
De belangen van de maatschap en anderen
9. De maatschap en anderen stellen dat er aanleiding is een voorlopige voorziening te treffen gelet op hun belang dat er geen besluit op bezwaar genomen wordt waarbij getoetst wordt aan de voorliggende plannen.
9.1. Zoals onder 5 is overwogen heeft het college toegezegd bereid te zijn te wachten met het nemen van een besluit op bezwaar totdat er een uitspraak is gedaan in de bodemprocedure over het wijzigingsplan en het bestemmingsplan Buitengebied. Zolang het college niet beslist op het bezwaarschrift van de maatschap en anderen, zal een eventuele vernietiging van de voorliggende plannen in de bodemprocedure ertoe leiden dat de omgevingsvergunning in het besluit op bezwaar getoetst moet worden aan het bestemmingsplan Buitengebied. De voorzieningenrechter ziet daarom in de gevolgen van de inwerkingtreding van de voorliggende plannen voor het toetsingskader van de omgevingsvergunning geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal hieronder beoordelen of het belang van de maatschap en anderen bij het stilleggen van de werkzaamheden alsnog aanleiding geeft voor het treffen van een voorlopige voorziening.
10. De maatschap en anderen stellen ook dat de gronden in de plangebieden van de voorliggende plannen door de ontwikkeling van het natuurgebied niet meer of minder geschikt zullen zijn voor agrarische doeleinden. Daardoor zal een deel van de gronden in deze plangebieden ook niet meer in pacht worden uitgegeven. Als de ontwikkelingen doorgaan zal het niet meer mogelijk zijn of zal het langer duren om de gronden weer geschikt te maken voor agrarische doeleinden als de voorliggende plannen in de bodemprocedures worden vernietigd.
10.1. De maatschap en anderen hebben op dit moment geen pachtovereenkomsten voor de gronden in de plangebieden en hebben ook geen andere aanspraak op het gebruik van de gronden. Dat de pacht op enig moment zou eindigen was daarbij al geruime tijd voorzienbaar, onder meer omdat de laatste jaren steeds kortdurende pachtovereenkomsten zijn afgesloten. Uit de plantoelichting van de voorliggende plannen blijkt dat het te realiseren natuurgebied een omvang van 290 hectare heeft. Natuurmonumenten heeft toegelicht dat 70 hectare na de werkzaamheden niet langer geschikt zal zijn om in pacht uit te geven. De bedoeling van Natuurmonumenten is om een groot deel van de gronden na de werkzaamheden weer te verpachten onder daaraan door Natuurmomenten te stellen voorwaarden.
Uit het voorgaande blijkt dat een actueel gebruiksrecht van de maatschap en anderen op de gronden in de plangebieden ontbreekt. Daarnaast blijkt uit de toelichting van Natuurmonumenten dat de gronden pas na uitvoering van de werkzaamheden grotendeels opnieuw worden verpacht. Daarom ziet de voorzieningenrechter in de gevolgen van de werkzaamheden op de gronden in de plangebieden geen belang dat zwaarder weegt dan de belangen van de provincie en Natuurmonumenten bij de uitvoering van de werkzaamheden. De voorzieningenrechter ziet hierin dan ook geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.
11. De maatschap en anderen stellen verder dat de realisatie van het natuurgebied op basis van de voorliggende plannen gevolgen heeft voor hun agrarische bedrijfsvoering op percelen buiten de plangebieden. Allereerst omdat de waterhuishouding verandert, wat hier zal leiden tot onomkeerbare gevolgen door wateroverlast of waterschaarste. Daarnaast wordt er bij de inrichting van het natuurgebied gebruik gemaakt van vegetatie die stikstofgevoelig is. De maatschap en anderen stellen dat dit impact kan hebben op hun toegestane stikstofuitstoot.
11.1. Het college van dijkgraaf en hoogheemraden van de Stichtse Rijnlanden heeft een omgevingsvergunning verleend voor een wateractiviteit voor het aanpassen van de waterhuishouding in het kader van het project Natuurontwikkeling Bodegraven Noord. De maatschap en anderen hebben beaamd dat in het kader van deze omgevingsvergunning ook de gevolgen op het gebied van water voor de percelen buiten het plangebied van de voorliggende plannen zijn meegewogen. Voor zover de belangen van de waterhuishouding op de percelen van de maatschap en anderen zich verzetten tegen uitvoering van de werkzaamheden ligt het daarom voor de hand dat dit in het kader van de procedures tegen deze omgevingsvergunning aan de orde komt. De vergunning is in bezwaar in stand gelaten en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening hangende het door de maatschap en anderen daartegen ingestelde beroep is door de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland bij uitspraak van 27 januari 2026, UTR 25 / 7325, afgewezen. Niet gebleken is dat sprake is van onomkeerbare gevolgen van de werkzaamheden op de percelen buiten de plangebieden. De voorzieningenrechter ziet in de gevolgen van de ontwikkeling van het natuurgebied op de waterhuishouding op de omliggende percelen dan ook geen zwaarwegender belang dan het belang van de provincie en Natuurmonumenten bij het doorzetten van de werkzaamheden.
De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding voor schorsing in de gevolgen van de inrichting van het natuurgebied met stikstofgevoelige vegetatie. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat het natuurgebied onderdeel gaat uitmaken van het NNN en niet is aangewezen als Natura 2000-gebied.
Conclusie
12. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter in wat de maatschap en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.
13. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af.
14. Het college en de raad hoeven de proceskosten niet te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst de verzoeken af.
Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Brouwers, griffier.
w.g. Van den Biggelaar
voorzieningenrechter
w.g. Brouwers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026
1080
Bijlage: relevante regelgeving
Wijzigingsplan Natuurgebied Bodegraven Noord en Bestemmingsplan Natuurgebied Bodegraven Noord
De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.3.1 zijn slechts toelaatbaar, indien en voor zover
a. de werken en werkzaamheden noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming;
b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van het terrein;
c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de natuur, landschaps- en cultuurhistorische waarden;
d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterkwaliteit en waterkwantiteit van de betreffende gronden en
e. voorafgaand aan de verlening van de omgevingsvergunning schriftelijk advies is ingewonnen bij een externe deskundige op het gebied van water, natuur, en landschap.
De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.6.1 zijn slechts toelaatbaar indien:
a. de werken en werkzaamheden noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming;
b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de natuur, landschaps- en cultuurhistorische waarden en/of van de agrarische bedrijfsvoering en;
c. voorafgaand aan de verlening van de omgevingsvergunning schriftelijk advies is ingewonnen bij een externe deskundige op het gebied van natuur en landschap.
Artikel 4 AgrarischPro met waarden - Natuur en landschapswaarden
(…)
Artikel 4.3.3
De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.3.1 zijn slechts toelaatbaar indien:
a. de werken en werkzaamheden noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming;
b. de werken en werkzaamheden geen belemmering vormen voor het behoud of de ontwikkeling van natuurwaarden die aansluiten bij karakteristieke gebiedseigen natuur in de vorm van soortenrijke graslanden, sloot- en oevervegetaties, weidevogelgebieden en waardevolle kleine landschapselementen als houtwallen, geriefhout- of hakhoutbosjes en beplantingselementen van zeer beperkte omvang;
c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de natuur, landschaps- en cultuurhistorische waarden en/of van de agrarische bedrijfsvoering;
d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterkwaliteit en waterkwantiteit van de betreffende gronden en;
e. voorafgaand aan de verlening van de omgevingsvergunning schriftelijk advies is ingewonnen bij een externe deskundige op het gebied van natuur en landschap.