AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen vestiging voorkeursrecht gemeente Montfoort
Het college van burgemeester en wethouders van Montfoort vestigde op 3 november 2020 een voorlopig voorkeursrecht op verschillende percelen binnen de locatie Doeldijk, waaronder een deel van het perceel van appellant. Dit voorkeursrecht werd op 1 februari 2021 definitief aangewezen. Appellant, eigenaar van de betrokken percelen, maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de raad ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit eveneens ongegrond.
Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De raad voerde aan dat appellant geen procesbelang meer had omdat het voorkeursrecht op 1 februari 2024 van rechtswege was vervallen. De Afdeling bevestigde dat het voorkeursrecht inderdaad drie jaar na aanwijzing vervalt indien geen bestemmingsplan is vastgesteld, wat hier het geval was.
De Afdeling oordeelde dat appellant geen voldoende aannemelijk belang had bij de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep, omdat hij geen schade had geconcretiseerd die voortvloeit uit het voorkeursrecht. Ook het verzoek om een principiële uitspraak of proceskostenvergoeding was onvoldoende om procesbelang aan te nemen. Daarnaast werd geoordeeld dat het recht op toegang tot de rechter niet in de kern was geschonden, mede omdat in eerste aanleg wel inhoudelijke geschilbeslechting had plaatsgevonden.
Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees zij het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het vestigen van het voorkeursrecht is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na verval van het voorkeursrecht.
Uitspraak
202306355/1/A3.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Montfoort,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 31 augustus 2023 in zaak nr. 22/1695 in het geding tussen:
[appellant]
en
de raad van de gemeente Montfoort.
Procesverloop
Bij besluit van 3 november 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montfoort op grond van artikel 6 vanPro de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) verschillende percelen en perceelsgedeelten gelegen binnen de locatie "Doeldijk" in Montfoort, waaronder op een deel van de percelen van [appellant], een voorlopig voorkeursrecht gevestigd.
Bij besluit van 1 februari 2021 heeft de raad de percelen definitief aangewezen als gronden waarop het voorkeursrecht van toepassing is.
Bij besluit van 17 maart 2022 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 31 augustus 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De raad en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2026, waar [appellant] , bijgestaan door mr. G.J.A.M. Bogaers, advocaat in Laren NH, en de raad, vertegenwoordigd door ir. J.P.H. Chatrou en Y. de Wilt, bijgestaan door mr. O.J.C. van den Broek, rechtsbijstandverlener in Roosendaal, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] is eigenaar van [locatie 1] en [locatie 2] in Montfoort. Hier staan twee woningen onder één kap en verschillende bijgebouwen. Verder bestaan de percelen voor een groot deel uit grasland, dat hobbymatig wordt gebruikt voor het beweiden van schapen, koeien en geiten. Het voorkeursrecht is onder meer gevestigd op een deel van [appellant] perceel A 2910. De reden voor vestiging van het voorkeursrecht is dat het gebied volgens de raad kansrijk is voor de bouw van ongeveer 200-250 woningen.
2. Het aanwijzingsbesluit tot vestiging van het voorkeursrecht is genomen op 1 februari 2021. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wvg, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Hoger beroep
3. De raad betoogt dat [appellant] geen procesbelang meer heeft, omdat het voorkeursrecht op 1 februari 2024 is vervallen.
3.1. Artikel 3, eerste lid, van de Wvg luidde ten tijde van belang: "Voor aanwijzing komen in aanmerking gronden waaraan bij het bestemmingsplan of inpassingsplan een niet-agrarische bestemming is toegekend en waarvan het gebruik afwijkt van dat plan".
Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, luidde: "In afwijking van artikel 3, eerste lid, komen voor aanwijzing voorts in aanmerking: (a.) gronden die zijn begrepen in een structuurvisie, waarbij aanwijzingen zijn gegeven voor de bestemming en waaraan bij de structuurvisie een niet-agrarische bestemming is toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van de toegedachte bestemming".
Artikel 9, tweede lid, luidde: "Een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 4, vervalt van rechtswege drie jaar na dagtekening van dat besluit, tenzij voordien een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld".
3.2. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.
Vast staat dat niet vóór 1 februari 2024 een bestemmingsplan voor de betrokken gronden is vastgesteld. Op grond van artikel 9, tweede lid, van de Wvg is het voorkeursrecht van rechtswege daarom op die datum vervallen. Dit betekent dat [appellant] in beginsel geen belang meer heeft bij de behandeling van het hoger beroep.
3.3. Dit kan anders zijn als een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het gevestigde voorkeursrecht kan worden betrokken bij een te verwachten toekomstig voorkeursrecht. Als de appellant stelt schade te hebben geleden, kan belang bestaan bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Voor het aannemen van procesbelang moet tot op zekere hoogte aannemelijk zijn dat schade is geleden als gevolg van het besluit [of een handeling ter voorbereiding van het besluit]. Als het door de appellant gestelde belang uitsluitend bestaat uit het uitspreken van een proceskostenvergoeding voor het ingestelde rechtsmiddel en/of een vergoeding van het betaalde griffierecht, betekent dat niet dat belang bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] niet tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat hij heeft schade geleden als gevolg van het voorkeursrecht. Het had op zijn weg gelegen de schade te concretiseren. Dat heeft hij niet gedaan. Daarnaast is in de vraag of een proceskostenveroordeling moet worden uitgesproken, op zichzelf geen belang gelegen om toch tot inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep over te gaan. Ook het willen verkrijgen van een principiële uitspraak is naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende om procesbelang aan te nemen.
3.4. Het beroep van [appellant] op de artikelen 6 en 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden slaagt niet. De beperking van de toegang tot de rechter in hoger beroep is in dit geval gerechtvaardigd met het oog op het legitieme doel van een effectieve rechtspleging. In dit geval is het voorkeursrecht bijna vier maanden na het instellen van het hoger beroep vervallen. [appellant] heeft verder niet verzocht om versnelde behandeling of het toewijzen van een voorlopige voorziening, waarmee hij een inhoudelijk oordeel van de Afdeling of haar voorzitter kon uitlokken. Bovendien acht de Afdeling van belang dat er wel in eerste aanleg bij de rechtbank inhoudelijke geschilbeslechting heeft plaatsgevonden. Het recht op toegang tot de rechter is daarom niet in de kern geschaad.
Verder is niet gebleken dat dat de raad bij het vestigen van het voorkeursrecht het recht van de Unie ten uitvoer heeft gebracht of anderszins bij dit recht heeft aangeknoopt (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 juni 2012, ECLI:EU:C:2012:326, C-27/11, Vinkov, punt 59). Alleen al daarom is er geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 47 vanPro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie is geschonden.
Conclusie en proceskosten
4. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
5. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, griffier.