ECLI:NL:RVS:2026:1702

Raad van State

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
202501128/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.10.5 Huisvestingsverordening Amsterdam 2020Art. 2.10.11 Huisvestingsverordening Amsterdam 2020
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing urgentieverklaring wegens onvoldoende medische onderbouwing en veiligheidsmaatregelen woning

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees op 12 juni 2023 de aanvraag van appellante om een urgentieverklaring af. Appellante woont met haar partner en drie kinderen, waaronder een zoon met een autismespectrumstoornis, in een woning met drie bouwlagen. Zij stelt dat de woning onveilig is voor haar zoon en dat haar medische en psychische klachten zijn toegenomen door de intensieve zorg die zij moet verlenen.

Het college baseerde de afwijzing op de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020, stellende dat appellante zelf veiligheidsmaatregelen kan treffen en dat verhuizing de gedragsproblematiek van haar zoon niet zal oplossen. Ook werd de hardheidsclausule niet toegepast vanwege het ontbreken van een acuut levensbedreigend medisch probleem.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, en de Raad van State bevestigt dit oordeel. De Afdeling stelt dat appellante onvoldoende medische stukken heeft overgelegd en dat uit de verklaring van de verhuurder blijkt dat veiligheidsmaatregelen in de woning mogelijk zijn. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.

Uitspraak

202501128/1/A2.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Amsterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 december 2024 in zaak nr. 23/6069 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 12 juni 2023 heeft het college een aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen.
Bij besluit van 7 september 2023 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 maart 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. M. Yildiz, advocaat in Amsterdam, en vergezeld door [persoon], en het college, vertegenwoordigd door mr. J. van den Boorn, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellante] heeft een urgentieverklaring om medische redenen aangevraagd. Zij woont met haar partner en hun drie kinderen, waarvan twee minderjarig zijn, in een vierkamerwoning van 120 m² met drie bouwlagen. De jongste zoon van [appellante] heeft een autismespectrumstoornis en gaat inmiddels naar het speciaal onderwijs. [appellante] stelt dat de woning gevaarlijk voor haar zoon is, zij overbelast is door de als gevolg van de woonsituatie intensieve zorg voor haar zoon en haar medische en psychische klachten daardoor zijn toegenomen. [appellante] stelt dat zij de woning niet veilig kan maken voor haar zoon omdat zij de benodigde maatregelen, zoals het aan de muur bevestigen van hoge traphekjes, het aanbrengen van sloten op ramen en deuren en het plaatsen van een afsluitbare keukendeur, van de verhuurder niet mag uitvoeren. Een kleinere gelijkvloerse benedenwoning met een afgesloten keuken en een omheinde tuin, zal volgens haar veiliger zijn voor haar zoon.
Besluitvorming
2.       Het college heeft de aanvraag afgewezen op grond van de algemene weigeringsgronden van artikel 2.10.5, eerste lid en onder d en f, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020, geldend op het moment van de aanvraag, en hoofdstuk 1.II, paragraaf 3, Ad d, onder 3, en Ad f, onder 1, van de Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2020. Het college heeft zich bij weigeringsgrond d op het standpunt gesteld dat [appellante] maatregelen kan treffen om de veiligheid voor haar zoon in de woning te vergroten, zoals het plaatsen van een traphekje en veiligheidsloten op de keukenkastjes, die kunnen worden verwijderd bij het verlaten van de woning. Bij weigeringsgrond f heeft het college zich op het standpunt gesteld dat uit de overgelegde stukken van het Medisch Orthopedagogisch Centrum ’t Kabouterhuis en van Ouder en Kindteams Amsterdam blijkt dat haar zoon behoefte heeft aan specialistische jeugdhulp op het gebied van ontwikkelings- en gedragsproblematiek. Volgens het college zal een verhuizing deze gedragsproblematiek daarom niet of onvoldoende oplossen en zal [appellante] meer gebaat zijn bij inzet van medische zorg. In het verweer in beroep heeft het college over de brief van 13 oktober 2023 van een gezinswerker en behandelaar van Unalzorg, waarin staat dat de zoon laatjes van kasten open trekt en spullen op de televisie gooit, opgemerkt dat hij dit ook zal doen in een kleinere woning, met het verschil dat een grotere woning de mogelijkheid biedt om kasten te verplaatsen naar bijvoorbeeld afgesloten ruimten. Het college heeft verder geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan de hardheidsclausule uit artikel 2.10.11 van de Huisvestingsverordening, omdat [appellante] niet met medische stukken heeft onderbouwd dat er sprake is van een acuut levensbedreigend medisch probleem als bedoeld in de toelichting van paragraaf 24 van de Nadere regels.
Beoordeling hoger beroep
3.       De gronden die [appellante] in hoger beroep aanvoert, zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4.2, 4.4 en 5.2 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daaraan nog toe dat ook uit de door [appellante] in hoger beroep overgelegde verklaring van de verhuurder onvoldoende blijkt dat in de woning geen toereikende veiligheidsmaatregelen kunnen worden getroffen voor de veiligheid van haar zoon. Daarnaast heeft [appellante], net als bij de rechtbank, in het kader van haar beroep op de hardheidsclausule niet met medische stukken onderbouwd dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem bij haarzelf of haar zoon.
Conclusie
4.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.
w.g. Van Altena
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Vink
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
154-1189